Kambiz Rostayi is dood.

 

Kambiz Rostayi is de dood in gedreven. Hij wou niet stilletjes ontsnappen aan de wanhoop die hem tartte maar maakte een publiek statement. Een gruwelijke daad begaan door een sociale, sterke en bijzonder lieve man, zoals ik begrijp uit de verhalen van de mensen om hem heen.

‘Een tragisch incident’.

‘Kan gebeuren, dat iemand eens uit de bocht vliegt’.

‘Het asielbeleid is hoe dan ook voor iedereen en altijd streng maar rechtvaardig’.

De bezwerende toverformules van de verantwoordelijke politici buitelden over elkaar heen om ons allen weer in slaap te sussen: ‘Niks aan de hand’. ‘Gaat u rustig verder met uw geriefelijke leven in dit zachtaardige land.’

 

En zo gebeurde het. Kambiz Rostayi was een halve minuut in het NOS journaal. En na Erwin Krol haalden we ons tweede bakje koffie. Er brak geen opstand uit.

 

U, hier aanwezig, maakt een verschil. Een klein maar betekenisvol verschil. U laat het niet onverschillig waarom Kambiz Rostayi meende ons te moeten laten weten dat zijn leven waardeloos was geworden op die ene daad na. Die daad die onze ogen zou openen. Die ons wakker zou schudden en zou maken dat we zijn offer als een kostbaar goed door zouden geven. Voorzichtig maar beslist. Van hand tot hand. Tot er een steen is verlegd en er echt een eerlijk en menswaardig migratiebeleid bestaat waarin de mens een mens is.

 

Ik ken Kambiz Rostayi niet, Iran ook maar een klein beetje. Maar heel veel hoef je niet te weten om te snappen dat er iets niet klopt. Het dagblad Trouw beschrijft dit weekend heel treffend de hypocrisie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Met opgeven vinger het Iraanse regime tot de orde roepen en met gestrekte vinger de man die er voor vluchtte de deur uit zetten. Dat kan niet kloppen. Dat bericht lezend dacht ik aan het vier mei dodenherdenkingsgedicht van Gerrit Komrij. Over twee weken precies tien jaar geleden voorgelezen in de Nieuwe Kerk, op de dam. Die plek die Kambiz Rostayi zo treffend koos voor zijn verzetsdaad. Ik lees het eerste en laatste couplet.

 

Het is een sport om met gestrekte vinger
Te wijzen naar de goeden en de kwaden.
Ik houd het liever bij de binnendringer
Die in mij zelf verlangt naar euveldaden.

Zolang ik mijn gehate ik maar kén
En in de gaten houd ben ik niet bang.
Elk uur van lauwheid is een uur te lang.

 

Ieder van ons kan iets doen. Vandaag, morgen en volgende week.

Vanuit mijn werk bij Defence for Children treffen mij vooral de laatste weken van Kambiz Rostayi. Die sleet hij op Ter Apel. En iemand zei me: ‘Ter Apel heeft hem kapot gemaakt’. Die zin trof me recht in het hart. Ik was rond Kerst op Ter Apel. En sprak er met kinderen. Ik was geschokt over de angst die ik er aantrof. Zo was er de jongen Mario van elf jaar. Die was bijna twee jaar toen hij met zijn negentienjarige moeder vanuit Angola naar Nederland vluchtte. In ruim zeven jaar tijd had hij op vijf verschillende asielzoekerscentra gewoond. Het leven in die centra voldoet niet aan de normen uit het Kinderrechtenverdrag. Langdurig verblijf op een asielzoekerscentrum beschadigt deze vaak toch al zo kwetsbare asielzoekerskinderen. Maar voor Mario was het een walhalla. Toen ik hem sprak op Ter Apel zat hij daar al meer dan twee jaar. Ik vroeg hem waar hij later zou willen wonen. “Op een asielzoekerscentrum”, zei hij heel beslist. “Daar is het veilig”. In het leven van Mario was een asielzoekerscentrum het hoogst haalbare. Zijn verhalen over Ter Apel maakte dat ik dat snapte. Twee jaar op Ter Apel. Ik voelde me een beetje schuldig daarover. Want Mario is een van de drie kinderen uit de beroemde uitspraak van het Haagse Gerechtshof van 11 januari 2011 waarin de rechter besliste dat kinderen niet op straat gezet mogen worden en ook niet van hun ouders mogen worden gescheiden om de enkele reden dat de overheid geen onderdak biedt. Dus mocht Mario in Ter Apel blijven. Minister Leers ging in hoger beroep maar schortte het klinkerbeleid op in afwachting van de uitkomst van het proces. Die uitspraak van het Gerechtshof was mede geïnspireerd op de klacht die Defence for Children samen met Fischer advocaten en enkele andere organisaties heeft ingediend bij het Europees Comité voor Sociale Rechten. Dat Comité bepaalde op 20 oktober 2009 dat het op straat zetten van kinderen hun menselijke waardigheid aantast en dus niet mag. Politiek Den Haag haalde zijn schouders er over op. Het ‘adviesje’ werd in de wind geslagen. Maar rechters niet. In tal van gemeenten gingen rechters die minimumnorm van menselijke waardigheid toepassen op kwetsbare mensen. Die moeten worden beschermd en geholpen. Zo ook de rechter in de zaak van Mario. En dus zat Mario op Ter Apel. Twee jaar lang. Zo was het tot afgelopen zondag. Toen vertrok zijn vliegtuig naar Angola. Uitgezet na bijna tien jaar verblijf in Nederland. Uitgezet naar een land waar hij niet thuishoort.

 

Het uitzetten van kinderen die na langdurig verblijf geworteld zijn geraakt in de Nederlandse samenleving is een schending van hun kinderrechten. Het tast hun identiteit aan en schendt hun recht op ontwikkeling, een wezensrecht van het kind-zijn. Het is geweldig dat Sahar mag blijven. Maar het is schrijnend dat er daarvoor een rapport over de toegang tot onderwijs voor meisjes in Afghanistan nodig bleek. Sahar had moeten mogen blijven omdat het een Nederlandse puber is. Daarom heeft Defence for Children de vereniging Wij Blijven! opgericht. De leden zijn kinderen die langer dan vijf jaar in Nederland zijn en geen verblijfsvergunning hebben. Vijf jaar is wel de limiet. Vijf jaar is al best lang op een kinderleven. Na vijf jaar hoor je gewoon thuis in dit land. Wij Blijven! gaat daarvoor strijden. Want ook de erkenning van worteling hoort bij een humaan vreemdelingenbeleid.

 

En intussen blijven we ons verzetten tegen Ter Apel. Ter Apel moet plat. Ter Apel is geen plek voor kinderen zoals Mario. Zoals het ook geen plek was voor een man als Kambiz Rostayi. Er zijn veel acties denkbaar om te laten zien dat de daad van Kambiz Rostayi niet zinloos was. Dat we de boodschap begrepen hebben en ons best zullen doen om zijn offer door te geven. Van hand tot hand. Defence for Children zal dat doen door te vechten tegen Ter Apel. We maken ons heel erg zorgen over de kinderen op Ter Apel. Toen ik er was kreeg ik een brief van de achtjarige Lucky, ook al twee jaar op Ter Apel. Een kwart van je leven op Ter Apel. Ik sluit af met haar brief.


 

De mensen die doen ons heel bang. Mijn vader zat heel lang in de gevangenis. Tien maanden. Dat was niet leuk. Ons hoofd ging draaien de hele dag. We konden niet slapen want hun zeiden: ‘je vader komt niet terug’. Dat vinden we niet leuk. En in Ter Apel is het echt heel slecht. Ik kan bijna niet slapen. Ze maken ons de hele tijd bang. Wij moesten ook een keer in de gevangenis. Vier maanden. Dat doet pijn en ik was heel ziek. We willen graag een huis. Onze situatie is heel moeilijk. Wij zijn met vijf zussen. Wij zijn geboren in Nederland maar de mensen zeggen: ‘ga naar jouw eigen land’. Maar wij weten niet hoe Afrika is. De mensen zeggen ook dat wij op straat moeten. Waarom zeggen ze dat? Op school denken wij de hele tijd aan onze situatie. Onze vader en moeder zijn heel erg moe. Dit jaar is een keer de kinderbescherming erbij geweest. Mijn moeder zegt dat als wij op straat moeten dat ze de kinderen dan afpakken omdat we geen huis hebben. De mensen maken ons bang. Wij hopen dat de regering ons wil helpen want wij kunnen heel goed leren. Maar nu kunnen we ons niet concentreren op school.

 

Carla van Os

Defence for Children

17 april 2011

Voor meer informatie over deze demonstratie kunt u contact opnemen met

Ahmed Pouri 070 30 50 415 / 06 55 36 23 13

apouri@gmail.com

 

 

Geef een reactie