Na acht jaar wachten kreeg Abdullah een verblijfstatus – en juist toen ging het mis

Na jarenlange omzwervingen belandde de Afghaanse Abdullah op zijn zeventiende in Nederland. Na acht jaar kreeg hij een verblijfsvergunning. Maar die kon hem niet verlossen van de trauma’s die hem achtervolgden. De hulpverlenende instanties faalden en Abdullah zag geen uitweg meer. ‘We hebben het allemaal onderschat.’

Abdullah Halimi is aan het klussen bij een kennis als het verlossende telefoontje komt. Zijn advocaat heeft goed nieuws: hij mag in Nederland blijven. Abdullah gooit zijn gereedschap neer en vliegt zijn klusmaat in de armen. Het is dus toch niet allemaal voor niks geweest. De lange reis uit Afghanistan, de onzekerheid, de vele jaren in asielzoekerscentra, de frustratie van het wachten. Hij was 17 toen hij hier alleen aankwam, nu is hij 24 en kan zijn leven eindelijk beginnen.

Hij kan niet wachten om naar Den Haag te verhuizen, waar veel van zijn vrienden wonen en waar zijn sportschool zit. Abdullah Halimi is fanatiek beoefenaar van de Chinese vechtkunst Wushu. Bijna dagelijks traint hij bij grootmeester Fei in een schoolgebouw in het Haagse Statenkwartier. In ruil voor klusjes kan hij gratis lessen volgen. De kleine pezige jongen maakt met zijn doorzettingsvermogen indruk op Fei. Hij laat hem ook op zondagochtend lesgeven aan de kinderen, die dol op hem zijn. Erg scheutig met complimenten is grootmeester Fei over het algemeen niet, maar tegen Abdullah zegt hij: ‘Jij gaat kampioen worden.’

Een jaar later wordt Abdullah dood aangetroffen in zijn nieuwe huis in Den Haag. Zelfmoord, constateert de politie. Hij was moe, weten zijn vrienden. Op de sportschool hadden ze hem al weken niet meer gezien. Hij kon het niet meer opbrengen.

Abdullah Halimi stond op de drempel van zijn nieuwe leven. Hoe heeft het dan toch mis kunnen gaan? Een reconstructie.

VERHUIZEN NAAR HUIS
Abdullah Halimi pakt zijn nieuwe leven in eerste instantie voortvarend op. Hij vindt zelf een huis in Den Haag en meldt zich bij VluchtelingenWerk voor hulp bij alle praktische zaken die hij verder moet regelen.

De dag voordat hij verhuist, post hij een foto op Facebook. ‘Laatste dag in azc Rijswijk,’ schrijft hij. ‘Verhuizen naar huis, eindelijk.’ De hartjes en likes stromen binnen.

Abdullah’s nieuwe appartement in het Haagse Segbroek is groot en licht: 95 vierkante meter, op tweehoog, met een balkon op het zuiden. Vrije sector, maar wel betaalbaar, met een huurcontract voor een jaar.

Abdullah Halimi in kungfu-kleding. Foto: privé-archief Daphne Malta

Abdullah Halimi in kungfu-kleding. Foto: privé-archief Daphne Malta

De woning is er, nu de rest. Een vrijwilliger van VluchtelingenWerk legt hem van alles uit over zijn huurcontract, het bestaan van kringloopwinkels en op welke dagen hij zijn vuilnis buiten mag zetten. Ze waarschuwt hem voor het luchtalarm op de eerste maandagochtend van de maand en samen zoeken ze een huisartsenpraktijk waar Abdullah zich kan inschrijven.

EEN A0 VOOR SCHRIJVEN
Voor Nederlandse les meldt Abdullah zich aan bij het ROC. Hij spreekt de taal al best goed, vindt hij zelf. Tijdens zijn eerste jaren in azc’s schreef hij schriftjes vol met Nederlandse woorden. Toch haalt hij bij zijn toelatingsexamen op het ROC een A0 voor schrijven, de laagste score. De mondelinge toets gaat beter, maar zijn trajectbegeleider plaatst hem toch in de klas met het laagste niveau. Het voelt voor Abdullah als een afwijzing.

Zijn cursus begint in de lente van 2017, vier maanden na zijn verhuizing naar Den Haag. De lessen zijn in het ROC Mondriaan. Na afloop van de eerste les spreekt Abdullah zijn docent aan en vraagt of hij naar een hogere groep mag. De docent belooft het te overleggen met de trajectbegeleidster, maar die ziet het niet zitten vanwege zijn lage score op de schriftelijke toets. ‘Kijk het maar een paar weken aan,’ stelt ze voor.

Voor de Nederlandse les en inburgering ontvangt hij een lening van de gemeente. Als hij de toetsen niet haalt, moet hij de lening weer terugbetalen. 

Ook praktisch is het niet zomaar te regelen: er moet maar net plek zijn in een andere groep. Door de grote instroom van leerlingen is er bij het ROC wat minder aandacht voor individuele wensen.

Nu moet Abdullah toch bij nul beginnen, en dat staat hem tegen. Maar de cursus is verplicht. Bovendien loopt hij een financieel risico. Voor de Nederlandse les en inburgering ontvangt hij een lening van de gemeente. Als hij de toetsen niet haalt, moet hij de lening weer terugbetalen. Dat gaat om duizenden euro’s en komt dan bovenop de schulden die hij al heeft. Hoeveel dat is, weet hij zelf ook niet zo goed. Hij heeft een la vol rekeningen, brieven en papieren die hij liever dicht laat. Hij heeft geen idee wat hij ermee moet. En ondertussen vraagt zijn familie hem ook nog om geld. Af en toe leent hij wat van zijn vrienden om naar huis te kunnen sturen, maar het is nooit genoeg. Hoe moet hij dit allemaal betalen? En wie kan hem helpen zijn papieren uit te zoeken?

TERUG NAAR AFGHANISTAN?
Abdullah is moe. Hij heeft al bijna een jaar zijn verblijfsvergunning, maar is nog niets opgeschoten. Dit is niet hoe hij zich zijn nieuwe leven had voorgesteld. Hij mist zijn familie en verlangt naar zijn thuisland. Nu besloten is dat zijn toekomst in Nederland ligt, neemt zijn heimwee ineens sterk toe. Hij heeft een foto die zijn vijftienjarige zusje Nouria hem eens stuurde, van kleren die ze voor hem heeft genaaid. ‘Wanneer kom je weer thuis?’ had ze gevraagd. Hij laat de foto soms aan zijn vrienden zien, hij is trots op haar. De laatste keer dat hij haar zag was ze nog maar een jaar of vier.

Met zijn begeleidster bij VluchtelingenWerk bespreekt hij de mogelijkheden om terug naar Afghanistan te gaan. Dat zou betekenen dat hij zijn verblijfsvergunning weer in moet leveren, legt zij hem uit. Als hij het aan zijn vriend Reza Sharifi vertelt, verklaart die hem voor gek. ‘Nu, na al die jaren wachten, wil je terug naar Afghanistan?’

Abdullah is allang niet meer de vrolijke en sociale jongen die hij was. Soms begint Abdullah ineens te huilen.

De twee jongens hebben elkaar leren kennen in Dordrecht, in het eerste azc waar Abdullah verbleef. Ze delen een liefde voor sport en koken. Samen maken ze vaak qabali palaw, een Afghaans gerecht van gebakken rijst met vlees, wortel, noten en rozijnen. Tijdens alle verhuizingen en omzwervingen door Nederland hebben ze contact met elkaar gehouden. Reza kreeg als eerste een verblijfsvergunning, en een huis in Den Haag. Hij probeert Abdullah moed in te praten. ‘Je moet niet opgeven, je moet denken aan je toekomst,’ zegt hij tegen hem. Maar Reza ziet ook dat Abdullah allang niet meer de vrolijke en sociale jongen is die hij in Dordrecht had leren kennen. Soms begint Abdullah ineens te huilen. ‘Er zit iemand achter me aan,’ zegt hij dan. Hij gedraagt zich ook wel eens vreemd. Dan is hij schrikachtig. Of hij loopt steeds over zijn schouder te kijken.

‘EEN STATUSHOUDER BEGINT BIJ NUL’
Met een verblijfsvergunning zijn je zorgen niet voorbij, weet Reza. Een statushouder begint bij nul, helemaal nul. Pas als je je status hebt, kun je beginnen, ook al ben je al jaren hier. Ineens moet je iedere maand je huur betalen, examens halen, nadenken over je toekomst. Reza vond het ook moeilijk. Maar hij ziet Abdullah nog veel meer worstelen dan hij zelf gedaan had.

Reza weet niet precies wat er met Abdullah aan de hand is. Hij vraagt er ook liever niet naar. Ze praten over andere dingen of ze koken samen. Zodra ze vrij zijn gaan, ze naar buiten om te sporten. Wat Reza wel weet, is dat Abdullah naar een speciale arts gaat in de buurt van Amsterdam. ‘Je kan toch ook gewoon in Den Haag naar de dokter?’ had hij nog gezegd, toen hij daar achter kwam.

Abdullah praat bij Centrum ’45 over zijn nachtmerries, slapeloosheid, wantrouwen en wanhopige gedachten.

Sinds 2014 gaat Abdullah naar een psychiater bij Centrum ’45 in Diemen, een ggz-instelling gespecialiseerd in trauma, onder andere bij asielzoekers. Abdullah praat daar over zijn nachtmerries, slapeloosheid, wantrouwen en wanhopige gedachten. Hij vertelt er dat hij zich vaak somber voelt en weinig eetlust heeft. En dat hij zich moet bedwingen om zichzelf niet iets aan te doen. Een posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressie, luidt de diagnose.

MINDERJARIG
Abdullah is niet de enige statushouder met psychische problemen. Volgens Pharos, expertisecentrum gezondheidsverschillen, blijkt uit onderzoek van de Gezondheidsraad dat dit voor 13 tot 25 procent van de statushouders geldt. Vaak hebben ze in hun thuisland traumatische ervaringen meegemaakt, of tijdens hun vlucht naar Nederland. Een lange asielprocedure en stress bij het opbouwen van een nieuw bestaan kunnen hun klachten verergeren. ‘Hiermee worden iemands vitaliteit, veerkracht en gezondheid ondermijnd,’ stelt Evert Bloemen van Pharos. ‘Dat heeft te maken met het leven in azc’s en het gedwongen nietsdoen. Maar ook met het uitblijven van erkenning. Zeker bij getraumatiseerde mensen is het fundamenteel dat wordt erkend wat je hebt meegemaakt, dat je gezien wordt en hulp krijgt.’

Op zijn veertiende werkte hij onder zware omstandigheden in de bouw. Zijn baas brandmerkte hem met een theelepeltje op de binnenkant van zijn arm.

Abdullah Halimi kreeg die erkenning jarenlang niet. Aan de IND vertelde hij tijdens zijn eerste gehoor hoe hij samen met zijn familie uit het Jaghori-district in Afghanistan had moeten vluchten, omdat het er niet veilig meer was voor hen. Abdullah was toen tien jaar. Zijn jongere broertje was gekidnapt en verdwenen. Onderweg naar Pakistan werd zijn vader in elkaar geslagen. Hij was daarna niet meer in staat om te werken, zodat Abdullah en zijn moeder op straat bedelden om het gezin te onderhouden. Op zijn veertiende reisde Abdullah alleen verder naar Iran. Daar werkte hij twee jaar lang onder zware omstandigheden in de bouw. Zijn baas brandmerkte hem met een theelepeltje op de binnenkant van zijn arm. Hij haatte die littekens, daarom droeg hij altijd T-shirts met lange mouwen. Hij schaamde zich er zo voor, dat hij het niet aan de IND durfde te vertellen.

Abdullah wist te ontsnappen en reisde via Griekenland, Italië en Frankrijk naar Nederland. Het was een gevaarlijke tocht, die hij grotendeels als verstekeling in de laadruimtes van vrachtwagens aflegde. Onderweg zag Abdullah iemand als een ijsblokje uit een vrieswagen vallen. Dood. Bij aankomst in Nederland was hij zeventien. Minderjarig dus, al kon hij dat zonder paspoort niet bewijzen.

‘IK BEN TOCH GEEN LEUGENAAR?’
Pas twee jaar na zijn eerste asielverzoek kreeg hij antwoord: zijn aanvraag werd afgewezen. De IND liet hem weten dat ze zijn asielrelaas niet geloofden. Het slechte nieuws kwam totaal onverwacht. Het zat hem dwars dat hij niet serieus werd genomen. Het voelde als een klap in zijn gezicht. ‘Waarom wijzen ze mij af? Ik ben toch geen leugenaar?’ zei hij tegen zijn vrienden.
Volgens Evert Bloemen van Pharos kan een afwijzing grote gevolgen hebben voor iemands gezondheid: ‘Wie snel een status krijgt, kan zich richten op de toekomst. Maar door een afwijzing kan de angst voor dat waarvoor je was gevlucht, weer terugkomen. Dat kan leiden tot een toename van psychische klachten.’

Een jaar later werd ook Abdullah’s beroep afgewezen. ‘Je moet nu maar uit het azc verdwijnen, voordat ze je uitzetten,’ waarschuwde een COA-medewerker.

Abdullah wist niet waar hij nu naartoe kon. In Afghanistan was het niet veilig. Van zijn vrienden in Nederland leerde Abdullah overleven op straat. Samen hingen ze rond in winkelcentra en biljartcafés en legden hun geld bij elkaar voor een brood bij de Turkse bakker.

Vaak sliep hij in de Rotterdamse Pauluskerk, waar ongedocumenteerden de nacht kunnen doorbrengen. Echt tot rust kwam hij er niet. Regelmatig ontstond er ruzie als weer eens iemand sokken te drogen hing over de verwarming. Wegens brandveiligheid mocht dat niet, maar hoe moest je dan zorgen dat je een beetje schoon bleef?

Abdullah verzamelde nieuw bewijs voor zijn asielverhaal en diende een herhaald asielverzoek in. Op grond van zijn psychische problemen deed zijn advocaat ook een beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet, ook wel de medische procedure genoemd. Dit artikel bepaalt dat vluchtelingen niet uitgezet mogen worden als het medisch gezien onverantwoord is om te reizen.

Zijn psycholoog was niet onder de indruk: ‘Door te dreigen met suïcide krijg je heus je verblijfsvergunning niet,’ zei ze tegen Abdullah.

Tijdens de behandeling van zijn herhaald asielverzoek had Abdullah weer recht op verblijf in een azc. Hij kwam in Dronten terecht, waar hij ook een psycholoog kreeg toegewezen. Toen hij een paar maanden later bericht kreeg dat de IND zijn beroep op artikel 64 afwees, was hij wanhopig. Hij zei tegen zijn psycholoog dat hij een einde aan zijn leven wilde maken. Eerder had hij daadwerkelijk een poging gedaan om zichzelf op te hangen. Dat was in de Pauluskerk. Een vriend vond hem op tijd. Maar zijn psycholoog was niet onder de indruk: ‘Door te dreigen met suïcide krijg je heus je verblijfsvergunning niet,’ zei ze tegen Abdullah.

BRANDBRIEF
Abdullah’s advocaat Jan-Willem de Haan ging in beroep tegen de afwijzing. Dit keer met succes: de rechtbank verklaarde het beroep gegrond en het besluit van de IND werd vernietigd. Abdullah’s medische aanvraag moest opnieuw worden beoordeeld. Maar inmiddels was er ook al ruim anderhalf jaar verstreken sinds Abdullah zijn herhaalde asielverzoek had gedaan. Hij kon niet meer tegen de onzekerheid. Hij smeekte De Haan om de IND een brandbrief te sturen en aan te dringen op een beslissing. De Haan deed wat Abdullah van hem vroeg. ‘Cliënt heeft […], zoals hij dat zelf zegt, voor het leven gekozen en is daarom naar Europa gevlucht,’ schreef De Haan aan de IND. Abdullah Halimi wil niets liever dan werken en studeren, legde De Haan in zijn brief uit. ‘Cliënt ziet […] de volgende negatieve beschikking alweer dagen en is het eigenlijk meer dan zat.’ De Haan eindigt met een noodkreet: ‘Cliënt vreest constant dat het lijntje op enig moment knapt en dat hij zichzelf op een onbewaakt moment iets aandoet.’

‘Als mensen maar lang genoeg gemangeld zijn en murw gebeukt door de IND, en dan na jaren een vergunning krijgen, zijn ze allemaal even moe.’

Het mocht niet baten. Abdullah moest nog een jaar wachten op een antwoord van de IND. Maar toen was het wél goed nieuws. Een oplettende IND-medewerker had zich gerealiseerd dat er een aantal dingen fout waren gegaan. Als minderjarige had hij na aankomst in Nederland nooit drie weken in vreemdelingendetentie mogen zitten. Ook tijdens zijn gehoor was hij als volwassene behandeld en had hij niet de begeleiding gekregen waar hij als minderjarige recht op had. Bovendien had de IND de wettelijk toegestane maximale beslistermijn op zijn herhaald asielverzoek van zes maanden ruimschoots overschreden.

De Haan herinnerde zich hoe blij Abdullah was toen hij net zijn vergunning had. ‘Hij kwam me zelfs een briefje van 50 euro terugbrengen dat hij van me had geleend. Ik was het alweer vergeten, maar hij niet, en hij wilde een nieuwe start maken.’ De Haan wist dat het voor Abdullah niet makkelijk zou worden. ‘Als mensen maar lang genoeg gemangeld zijn en murw gebeukt door de IND, en dan na jaren een vergunning krijgen, zijn ze allemaal even moe.’

HOOPVOL EN HAPPY
Maar Abdullah was optimistisch en hij had zin in de toekomst. ‘We hadden er allemaal vertrouwen in,’ vertelt Daphne Malta, een Nederlandse vrouw die zich na zijn zelfmoordpoging in de Pauluskerk over hem had ontfermd. ‘Natuurlijk was hij hoopvol en happy met zijn verblijfsstatus. Dat was voor hem jarenlang het gedroomde paradijs geweest.’

Het is een bekende valkuil om te denken dat met een verblijfsvergunning psychische problemen vanzelf verdwijnen.

De behandeling van Abdullah bij Centrum ’45 werd op zijn eigen verzoek stopgezet. Zijn psychiater sloot zijn dossier. Een rare beslissing, vindt Daphne achteraf. ‘Waarom heeft hij niet gezien dat Abdullah nog steeds een risico liep? Zeker gezien zijn zware diagnostiek en het feit dat hij medicatie voorgeschreven kreeg. Waarom kreeg hij geen nazorg en is er niet besproken waar hij in het geval van een crisis terecht zou kunnen?’

Het is een bekende valkuil om te denken dat met een verblijfsvergunning psychische problemen vanzelf verdwijnen. Onderzoeker en adviseur Anna de Haan van Pharos ziet dit vaker misgaan. ‘Tijdens hun asielprocedure denken mensen: als ik nou maar zekerheid heb, dan gaat alles beter. Bij trainingen aan zorgprofessionals wijzen we er altijd op dat dit een risicofactor is. Deze mensen moet je extra in de gaten houden.’

‘Leven is iets anders dan overleven,’ stelt Daphne, terugblikkend op Abdullah’s laatste maanden. ‘We hebben het allemaal onderschat.’

LIEVER PINGPONGEN DAN PRATEN
Uit gesprekken met Abdullah weet Daphne dat hij moeite had met de psychische zorg die hij bij Centrum ’45 kreeg. Hij vertelde haar dat hij liever niet in groepstherapie over zijn problemen wilde praten. Maar het behandelplan van Centrum ’45 bestond voornamelijk uit groepssessies.

Dat ongemak bij groepstherapie is herkenbaar, vindt Ali Al-Sheikh, zelf gevlucht uit Irak en opgeleid bij Pharos om instanties en statushouders te helpen elkaar te vinden. In veel landen, waaronder Afghanistan, rust een taboe op psychische problemen. ‘Als iets taboe is in jouw cultuur, wil je dat zo weinig mogelijk mensen erover weten. Hoe meer mensen, hoe meer schaamte. Groepstherapie is dan niet ideaal.’

In de verschillende azc’s leerde hij zichzelf kungfu door eindeloos filmpjes van Jackie Chan te bekijken. Hij had meer vertrouwen in de heilzame werking van sport dan in therapie.

Volgens Daphne vroeg Abdullah aan zijn begeleiders bij Centrum ’45 of ze niet beter met elkaar konden sporten in plaats van praten. Van de verhalen van anderen werd hij alleen maar verdrietig. ‘Je kan beter wat gaan doen, al is het maar pingpongen,’ vond hij. Tijdens zijn asielprocedure had hij dat aan den lijve ondervonden. In de verschillende azc’s leerde hij zichzelf kungfu door eindeloos filmpjes van Jackie Chan te bekijken. Hij had meer vertrouwen in de heilzame werking van sport dan in medicijnen en therapie.

Ali Al-Sheikh ziet ook dat vluchtelingen vaak weinig vertrouwen hebben in psychische gezondheidszorg. Dit komt volgens hem doordat ze vaak niet weten dat je psychische klachten kunt behandelen met therapie. Ze vinden daarom moeilijk hun weg in het Nederlandse zorgaanbod. Dat blijkt ook uit een onderzoek van AMC/UvA onder statushouders met PTSS. Van de deelnemers met psychische klachten die nog asielzoeker zijn of maar kort hun verblijfsvergunning hadden, was slechts 21 procent voor die klachten in behandeling.

WEER GAAN SLIKKEN
Als Abdullah’s dossier bij Centrum ’45 is gesloten, is er geen medische professional meer die zijn gezondheid in de gaten houdt. Het is zijn advocaat Jan-Willem de Haan die ziet dat Abdullah’s gezondheid weer verslechtert. Op een dag komt Abdullah bij hem langs voor juridisch advies. Met verbazing hoort De Haan aan dat de altijd vriendelijke en sociale Abdullah aangifte wil doen tegen andere leerlingen van de sportschool. ‘Ze kijken zo boos naar me,’ zegt hij tegen De Haan. Die vraagt door. Dan begrijpt hij dat Abdullah denkt dat hij in de gaten wordt gehouden door de overheid. Niet alleen de Nederlandse, óók de Afghaanse. Ze zitten achter hem aan, denkt hij, hij voelt zich nergens echt veilig.

Ze houden zichzelf voor de gek. Die medicijnen namen ze toch alleen om aan de IND te bewijzen hoe slecht het met hen ging?

De Haan weet meteen hoe laat het is. ‘Volgens mij kun je beter je medicijnen weer gaan slikken,’ raadt hij Abdullah aan. Hij heeft het al zo vaak gezien bij zijn cliënten: mensen stoppen met hun medicijnen zodra ze hun verblijfsvergunning hebben gekregen. Ze houden zichzelf voor de gek, weet De Haan. Die medicijnen namen ze toch alleen om aan de IND te bewijzen hoe slecht het met hen ging?

PLASTIC TAS VOL MEDICIJNEN
Behalve advocaat De Haan zijn ook Abdullah’s vrienden bezorgd. Een van zijn sportmaatjes, Stephan Götz van der Vet, bij wie Abdullah een tijdje logeert, vindt een plastic tas vol medicijnen met Abdullah’s naam op de etiketten. ‘Moet je die niet innemen?’ vraagt Stephan hem. ‘Ik neem ze alleen als ik ze echt nodig heb,’ antwoordt Abdullah. Als Abdullah weer vertrekt, laat hij de plastic tas bij Stephan in huis achter.

Reza valt het op dat Abdullah er niet gezond uitziet. Hij nodigt hem uit voor een maaltijd. ‘Kom, ik heb goed en lekker eten voor je.’ Hij maakt Abdullah’s lievelingsgerecht qabali palaw. Maar Abdullah komt niet opdagen. Hij neemt ook zijn telefoon niet op. Pas een paar dagen later spreekt Reza Abdullah weer. ‘Waar was je nou? Ik had voor je gekookt.’ ‘Ik wil graag alleen zijn,’ zegt Abdullah. ‘Ik wil niet dat iemand moeite voor mij doet.’

Ook Daphne maakt zich zorgen. Normaal spreekt ze Abdullah wekelijks, nu krijgt ze hem nauwelijks te pakken. Via via achterhaalt ze het telefoonnummer van Reza. Ze heeft hem maar een keer ontmoet, maar ze weet dat hij een goede vriend van Abdullah is. Ze schrikt als hij haar zorgen bevestigt. ‘Ik ben bang dat Abdullah zichzelf iets aan gaat doen,’ zegt Reza. Hij vertrouwt haar toe dat hij al een keer bij Abdullah thuis langs is gegaan om te controleren of er geen scherpe voorwerpen in huis zijn. ‘Help hem alsjeblieft,’ zegt Reza.

‘Abdullah, als je nu de deur niet opendoet, dan sla ik het raampje van de deur in.’

Daphne gaat samen met Sohrab, een andere vriend van Abdullah, naar zijn huis toe. Ze worden gebracht door de voorzitter van de Afghaanse vereniging FAVON, Shirzad. Op de bovenste etage van de hoekwoning zijn alle lampen uit. Ze bellen aan, maar het blijft stil. Ze roepen naar boven. ‘Abdullah, als je thuis bent, doe dan alsjeblieft open!’ Na een tijdje geven ze het op. Maar net als ze de trap van het portiek aflopen, horen ze binnen een gedempt geluid. Is hij er dan toch? Shirzad roept door de brievenbus: ‘Abdullah, als je nu de deur niet opendoet, dan sla ik het raampje van de deur in.’

Dan doet Abdullah plotseling toch de deur open. ‘Ik ben moe,’ zegt hij. Maar Daphne en Sohrab laten zich niet wegsturen. ‘Laat ons binnen voor een kopje thee,’ eisen ze. Shirzad moet door, hij heeft een andere afspraak. ’s Avonds belt Shirzad met Daphne. ‘Heb je iets vreemds gemerkt aan hem? Hoe rook het daarbinnen, heeft hij wel iets gegeten?’ ‘Alles was normaal,’ vertelt Daphne.

Tijdens hun bezoek heeft Daphne met Abdullah afgesproken dat hij haar de volgende dag belt. Maar hij belt niet. En als zij hem belt, neemt hij de telefoon niet op. Ze overlegt met Shirzad. Misschien staat Abdullah’s telefoon uit omdat hij bang is afgeluisterd te worden. Ze kopen een mobiele telefoon, waar alleen zij het nummer van kennen. Die doen ze bij hem door de brievenbus, met een briefje erbij. De oplader past niet door de brievenbus, dus die zetten ze in een doosje voor de deur. Ze zetten er ook wat te eten bij voor hem.

Hun plan werkt niet. Ze kunnen Abdullah nog steeds niet bereiken. Daphne besluit het ROC te bellen waar Abdullah drie weken geleden aan de Nederlandse les begon. ‘Hebben jullie hem de laatste tijd nog gezien?’ vraagt ze. Ze zoeken het uit en bellen haar terug: ‘Sorry mevrouw, hij is na de eerste week helemaal niet meer naar de les gekomen.’

‘GEMIDDELDE’ STATUSHOUDER
Vervolgens zoekt Daphne het nummer van VluchtelingenWerk Den Haag op. Misschien is hij daar de laatste tijd nog geweest. Ze beloven zijn begeleidster te vragen om haar terug te bellen, maar Daphne hoort nooit iets van haar. Ook Stephan maakt zich zorgen en belt naar VluchtelingenWerk. Ook hij wordt niet teruggebeld.

Achteraf blijkt VluchtelingenWerk niets van Abdullah’s traumabehandeling bij Centrum ’45 af te weten, of van zijn psychische klachten en de zelfmoordpoging in de Pauluskerk. ‘In zijn doen en laten kwam hij op ons over als een gemiddelde statushouder,’ zegt Martijn van der Linden, persvoorlichter van VluchtelingenWerk.

Het COA, verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers in azc’s, houdt geen medische dossiers bij. Wel zijn er regelmatig overleggen tussen het COA en de betrokken zorgverleners om onder meer psychische problemen vroegtijdig te signaleren. Of medewerkers van het COA op de hoogte waren van Abdullah’s geschiedenis is niet bekend, het COA doet geen uitspraken over individuele zaken. Volgens VluchtelingenWerk hebben zij in ieder geval nooit informatie over Abdullah’s psychische problemen gekregen.

In iedere gemeente verloopt de overdracht van gegevens over statushouders van COA naar de gemeente en VluchtelingenWerk anders. In Den Haag gebruikt VluchtelingenWerk in principe alleen de informatie die een statushouder zelf met hen deelt. Een enkele keer neemt het COA nog contact met hen op over een specifieke zaak, maar bij Abdullah zag het COA hier blijkbaar geen reden toe.

Als het COA op de hoogte was, had het de volgende verantwoordelijke instantie dan moeten waarschuwen dat Abdullah een suïcidepoging had gedaan?

‘Overdrachtsmomenten zijn altijd risicomomenten,’ legt Evert Bloemen van Pharos uit. ‘Zeker bij kwetsbare groepen. Dus rust er een extra verantwoordelijkheid op de mensen die weten welke problematiek er speelt.’ Als het COA op de hoogte was, had het de volgende verantwoordelijke instantie dan moeten waarschuwen dat Abdullah een suïcidepoging had gedaan en mogelijk nog steeds risico liep? Dat ligt ingewikkeld, volgens Kirsten Rüter. Zij is persvoorlichter van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum, waar ook Centrum ’45 onderdeel van is. ‘Het gaat hier om privacygevoelige informatie. Die kun je dus niet zomaar delen.’

Daarom is het des te belangrijker dat VluchtelingenWerk zelf de signalen herkent als het niet goed met iemand gaat. Maar daarvoor ontbreekt het ze veelal aan expertise, stelt Evert Bloemen van kenniscentrum Pharos. ‘Dat geldt ook voor andere betrokkenen, zoals klantmanagers werk en inkomen van de gemeenten en taaldocenten. Kennis over psychische gezondheid ontbreekt vaak, dat maakt signaleren lastig. En als ze dan signaleren dat er iets ernstigs aan de hand kan zijn, is het doorverwijzen naar professionele hulpverleners vaak ingewikkeld,’ stelt hij, ‘mede omdat vanwege het ontbreken van tolkvergoedingen veel ggz-instellingen de zorg voor deze groep afhouden.’

EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID
De huisarts heeft hier natuurlijk ook een rol in. Tijdens het verblijf in een azc kunnen asielzoekers terecht bij een huisartsenpost van de landelijke organisatie Gezondheidszorg AsielZoekers (GZA), onderdeel van Arts en Zorg. Voor 1 januari 2018 was dit bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GC A), onderdeel van Menzis. Als een asielzoeker een verblijfsvergunning krijgt, is het de bedoeling dat diegene zich zelf inschrijft bij een huisarts in de nieuwe gemeente. Deze kan vervolgens het dossier bij het GC A of GZA opvragen. Maar wat gebeurt er als iemand zich niet inschrijft? Niets, blijkt uit navraag bij GZA.

Als iemands dossier niet wordt opgevraagd door een nieuwe huisarts gaat er geen alarmbel rinkelen. Ook niet als iemand kampt met zware psychische of medische problematiek.

Het zoeken van een huisarts is onderdeel van de maatschappelijke begeleiding die VluchtelingenWerk biedt. Dit hoort te gebeuren in de eerste zes maanden. Ook bij Abdullah Halimi werd dit onderdeel afgevinkt. Volgens VluchtelingenWerk vond zijn begeleidster een huisarts voor hem, controleerde of daar plek was, en herinnerde Abdullah er meerdere keren aan hoe belangrijk het is om zich daar in te schrijven. Wat ze echter niet weten, is of hij dat daadwerkelijk heeft gedaan. Dat controleren ze niet. Bij het GC A en GZA hebben ze hier ook geen zicht op. Als iemands dossier niet wordt opgevraagd door een nieuwe huisarts gaat er geen alarmbel rinkelen. Ook niet als iemand kampt met zware psychische of medische problematiek.

Volgens GZA-directeur Amon van den Borg is er inmiddels wel een nieuwe werkafspraak in ontwikkeling. ‘Het GZA gaat het bij het COA aangeven als er sprake is van een kwetsbare statushouder, die bij verhuizing naar een gemeente met spoed een nieuwe huisarts nodig heeft. Wanneer de nieuwe huisarts bekend is, volgt een warme overdracht van het medisch dossier. De oude huisarts brengt daarbij de problematiek van de statushouder onder de aandacht van de nieuwe huisarts.’

Toch is dit geen garantie dat iedere kwetsbare statushouder na een verhuizing in beeld blijft, geeft ook Van Den Borg toe. ‘De statushouder blijft zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe huisarts en kan daarin zijn eigen keuze maken, net als andere inwoners in Nederland. De Nederlandse zorg is nu eenmaal gericht op de eigen verantwoordelijkheid.’

‘WE HEBBEN ZIJN DOSSIER AL GESLOTEN’
Daphne is ondertussen ten einde raad. Ze wil Abdullah’s psychiater van Centrum ’45 spreken. Degene die ze aan de lijn krijgt reageert kortaf en verwijst haar door naar de crisisdienst. Daphne krijgt te horen dat Abdullah’s dossier gesloten is en hij niet meer bij Centrum ’45 in behandeling is. ‘Maar ik moet de psychiater echt spreken,’ probeert Daphne. ‘Het gaat niet goed met Abdullah. Kan de psychiater mij alsjeblieft terugbellen?’ De medewerker belooft het te vragen. Maar ook Centrum ’45 belt haar niet meer terug.

‘Nogal kortaf en formalistisch,’ vindt Hans Rohlof. Hij is secretaris van de Johannes Wierstichting voor gezondheidszorg en mensenrechten, en oud-psychiater van Centrum ’45. ‘Als iemand uit de directe omgeving van een patiënt contact opneemt en zorgen uit, dan moet je die hulpvraag altijd serieus nemen.’ Ook Evert Bloemen is verbaasd. ‘Als je een dossier gesloten hebt, ben je dan klaar? Je hebt een behandelrelatie gehad, en je weet dat iemand al eerder een zelfmoordpoging heeft gedaan. Dan weet je ook dat dat een belangrijke risicofactor is voor een nieuwe poging. Het is bekend dat mensen met psychische problemen kunnen terugvallen.’

‘ het dossier eenmaal gesloten is, heeft iemand eerst een verwijzing van de huisarts nodig om weer bij ons terecht te kunnen.‘

Volgens Kirsten Rüter, persvoorlichter van ARQ, hadden ze een oud-cliënt op dat moment echter niet eens mógen helpen. ‘Als het dossier eenmaal gesloten is, heeft iemand eerst een verwijzing van de huisarts nodig om weer bij ons terecht te kunnen,’ legt ze uit. Ook het medisch beroepsgeheim speelt een rol. ‘Zonder toestemming van een cliënt mag een behandelaar een derde niet te woord staan, en dus ook niet terugbellen.’ De psychiater bevestigt dit tijdens een gesprek met Daphne na Abdullah’s dood. Daphne begrijpt hier niets van. ‘Ik stond bij hen bekend als contactpersoon en begeleider. Ik ben bij veel gesprekken erbij geweest.’ Daphne vindt het een vreemde gang van zaken. ‘Deze regel staat menselijkheid in de weg.’

Als Daphne de psychiater niet te pakken krijgt, probeert ze het bij de crisisdienst. Anders dan de naam suggereert is deze dienst niet dag en nacht bereikbaar. Als ze eindelijk iemand aan de lijn krijgt verwijst die haar door naar de huisarts. Maar heeft Abdullah wel een huisarts? Daphne weet het niet, ze heeft hem er nooit over gehoord.

‘ALS IK DE POLITIE INSCHAKEL, BEN IK HEM KWIJT’
Ze vertelt over zijn geschiedenis en zijn eerdere suïcidepoging in de Pauluskerk, maar de crisisdienst kan haar niet verder helpen. Wat nu? Daphne weet niet wat ze moet doen en belt de crisisdienst nog een keer. Als het niet via de huisarts lukt, is de politie het enige alternatief, vertellen ze haar. Zij kunnen de deur openbreken. Maar dat gaat Daphne te ver. Ze kent Abdullah’s angst voor de politie en weet van zijn paranoia. ‘Als ik de politie inschakel, ben ik hem kwijt,’ denkt ze.

Boven vinden ze Abdullah. Hij is dood.

 

Dan belt Abdullah’s huisbaas haar. Er staat al dagen een doos voor Abdullah’s deur, weet zij waar hij is? Bezorgde buren hebben hem erover gebeld. Het is de oplader die zij en Shirzad er neergezet hebben, weet Daphne. Ze licht Stephan in, hij gaat polshoogte nemen. Hij belt meerdere keren aan, maar zonder resultaat. Hij opent het klepje van de brievenbus en ruikt. Niks bijzonders. Dan steekt hij zijn arm door de brievenbus en neemt met zijn telefoon een foto van de vloer. Zo ziet hij dat er een stapel post van minstens een week ligt. Dit is niet in orde, weet hij. Hij belt de politie. Die komen direct en breken de deur open. Stephan loopt achter ze aan de trap op. Boven vinden ze Abdullah. Hij is dood.

Abdullah wordt op een warme ochtend in mei begraven op Westduin. Onder de hoge bomen verzamelen zich zo’n vijftig bezoekers: de jongens met wie Abdullah heeft getraind, vrienden uit de azc’s, vrijwilligers van VluchtelingenWerk en zijn psychiater van Centrum ’45.

Zijn vrienden dragen de kist. Ze lopen een stukje voor de groep uit en zingen. Bij vak 6, graf nummer 82 houden ze stil en laten de kist voorzichtig zakken op een metalen frame. Het is een algemeen graf, voor een periode van vijftien jaar. Verlenging is niet mogelijk.


ZEVEN AANBEVELINGEN
Je kunt nooit zeggen waarom iemand zich van het leven berooft. Je weet ook niet of het voorkomen had kunnen worden, en hoe. Toch dringt de vraag zich op of instanties te kort zijn geschoten. Heeft het beeld van een hoopvolle nieuwe start iedereen misleid, inclusief Abdullah zelf? Was men voldoende alert op de risico’s die hij liep, als nieuwe statushouder met psychische problemen?

We legden het verhaal van Abdullah voor aan experts. Hoe voorkom je dat statushouders met psychische problemen vastlopen? Zes aanbevelingen.

1- BENUT DE ASIELPROCEDURE VOOR HET BOUWEN AAN EEN TOEKOMST.
Abdullah heeft acht jaar moeten wachten op een verblijfsvergunning. Jaren waarin zijn leeftijdgenoten gingen studeren, een relatie kregen, de arbeidsmarkt opgingen. Zijn leven stond al die tijd stil, waardoor zijn psychische problemen verergerden. Bovendien moest hij na acht jaar in Nederland alsnog bij nul beginnen met zijn inburgering.

Eind 2015 riep de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al op de tijd die iemand in een azc verblijft beter te benutten, om latere problemen met de inburgering te voorkomen. In 2016 besloot het kabinet dat kansrijke asielzoekers voortaan vanaf dag 1 Nederlandse les mogen volgen. In de praktijk komt hier echter niks van terecht, signaleert VluchtelingenWerk. De wachttijd tot het begin van de asielprocedure is opgelopen tot zo’n anderhalf jaar, in sommige gevallen zelfs twintig maanden. ‘Wie nu asiel aanvraagt, kan eerder rekenen op taalles vanaf dag 490,’ stelt VluchtelingenWerk in een persbericht.

Dit lange wachten is funest voor de integratie, volgens VluchtelingenWerk. Het wegwerken van de achterstand door de IND is daarom stap 1. Zodat asielzoekers daadwerkelijk een snelle start kunnen maken met taalles. Daarnaast is het zaak belemmeringen voor werk en vrijwilligerswerk weg te nemen. Op die manier kunnen asielzoekers zich beter voorbereiden op een goede inburgering.

2- GEEF VOORLICHTING OVER PSYCHISCHE PROBLEMATIEK IN AZC’S EN AAN STATUSHOUDERS.
Abdullah had veel lichamelijke pijnen en hij was ‘moe’, maar over de spoken in zijn hoofd praatte hij niet. De groepstherapie bij Centrum ‘45 vond Abdullah maar lastig, en zijn vriend Reza vertelde hij niet over de therapie die hij volgde.

Volgens de onderzoekers Evert Bloemen en Anna de Haan rust er een groot taboe op psychische problemen onder veel vluchtelingen. Ali Al-Sheikh, zelf gevlucht uit Irak, herkent dit: ‘Bij veel vluchtelingen zie je een stigma op psychische problemen,’ zegt hij. ‘Je bent óf gek, óf normaal. Iets er tussenin bestaat niet.’

Het stigma hangt vaak samen met een gebrek aan kennis over psychische problematiek. In sommige herkomstlanden, waaronder Afghanistan, is geestelijke gezondheidszorg nauwelijks beschikbaar. In verschillende azc’s wordt hier daarom al voorlichting over gegeven door ggz-verpleegkundigen. Pharos pleit ervoor om structureel aandacht te besteden aan psychische gezondheid in alle azc’s, als vast onderdeel van het voorlichtingsprogramma voor nieuwe asielzoekers. Ook het COA onderschrijft dit belang en heeft daarom aan het GZA opdracht gegeven om per januari 2020 op alle azc’s cursussen psychische gezondheid aan te bieden.

Ook voor statushouders is voorlichting belangrijk. Reden voor Pharos om een voorlichtingsprogramma voor en door statushouders op te zetten. Al-Sheikh, een van de statushouders die als sleutelpersoon andere statushouders wegwijs maakt in de Nederlandse gezondheidszorg, richt zich specifiek op psychische gezondheid omdat hij hier zelf ook graag eerder informatie over had willen krijgen. ‘Ik heb alles bij elkaar moeten googlen. Waar ik last van heb, en dat therapie mij kan helpen. Nu wil ik anderen vertellen dat het helemaal niet erg is om hulp te vragen. En dat je problemen alleen maar groter worden als je dat niet doet.’

3- TRAIN ZORGPROFESSIONALS IN HET OMGAAN MET HET TABOE OP PSYCHISCHE PROBLEMEN.
Zorgprofessionals zijn zich niet altijd bewust van het bestaan van dit taboe. Daarom moet dit een vast onderdeel zijn van opleidingen voor zorgprofessionals, vindt Anna de Haan van Pharos. ‘Als je weet dat er niet in iedere taal een woord bestaat voor ‘depressie’, dan weet je ook dat het niet zoveel zin heeft om te vragen: ‘Bent u depressief?’’

Volgens De Haan kan de eerstelijnszorg hierin meer betekenen. ‘We moeten niet denken dat altijd specialistische ggz-hulp nodig is. Zorg van de huisarts samen met de praktijkondersteuner-ggz kan goed werken en is minder met stigma beladen dan verwijzing naar een psychiater of een psycholoog.’

4- ZORG VOOR EEN WARME OVERDRACHT VAN COA NAAR GEMEENTE.
Abdullah’s maatschappelijk begeleider bij VluchtelingenWerk wist niet dat Abdullah kampte met psychische problemen en eerder suïcidaal was geweest. Blijkbaar had het COA hierover geen gegevens gedeeld met de gemeente Den Haag. Daardoor was VluchtelingenWerk niet alert op signalen dat zijn toestand verslechterde.

Bij slechts een op de vijf statushouders vindt een warme overdracht van het COA naar de gemeente plaats, schreef NRC eerder deze maand. Dat is niet volgens afspraak: het COA en de gemeenten hebben het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beloofd dat vier op de vijf statushouders een warme overdracht krijgen.

Het systeem van gegevensoverdracht is niet waterdicht, signaleert ook Larissa van Beek van ARQ, Kenniscentrum Migratie. ‘Dat heeft voor een deel met privacy te maken,’ legt ze uit. ‘Veel informatie mag je niet zomaar delen. Daarnaast is het voor het COA vaak onduidelijk aan wie ze de informatie over kunnen dragen. Door de decentralisatie verschilt het namelijk per gemeente hoe dit ingericht is.’

Mensen met psychische problemen vormen een kwetsbare groep, voor hen is een warme overdracht van COA naar gemeente van groot belang. In sommige gemeenten is het gelukkig al wel goed geregeld, vindt Van Beek. Als voorbeeld noemt ze een ketenoverleg waarbij COA, VluchtelingenWerk en gemeenten betrokken zijn. ‘Daar delen ze informatie over iemands talenten, maar ook over mogelijke problemen.’ Dit helpt om psychische problemen op de radar te houden bij alle betrokkenen.

5- TRAIN MEDEWERKERS VAN VLUCHTELINGENWERK IN HET SIGNALEREN VAN PSYCHISCHE PROBLEMEN.
Een gemiddelde statushouder, zo stond Abdullah bij VluchtelingenWerk te boek. Ook de bezorgde telefoontjes van Daphne en Stephan deden geen alarmbellen rinkelen.

Omdat VluchtelingenWerk niet altijd op de hoogte wordt gebracht van iemands psychische problemen, is het belangrijk dat medewerkers zelf kunnen signaleren dat het niet goed gaat met hun cliënt. ‘Begeleiders zijn echter vrijwel altijd vrijwilligers, en geen medisch professionals,’ zegt Larissa van Beek van ARQ. ‘Voor deze vrijwilligers is het signaleren van psychische problemen geen onderdeel van de verplichte trainingen die ze van VluchtelingenWerk krijgen. Dat zou wel moeten, vindt Van Beek. ‘Een vrijwilliger kan natuurlijk niet op de stoel van de hulpverlener gaan zitten, maar heeft wel een schakelfunctie. Een maatschappelijk begeleider heeft een vertrouwensband, en is daardoor de aangewezen persoon om problemen te signaleren. Daarom is het van belang dat je investeert in hun deskundigheid.’ Toch ziet ARQ dat vrijwilligers die hier wel in getraind worden het lastig blijven vinden. ‘Het beste zou zijn als VluchtelingenWerk daarom ook investeert in betaalde professionals, waar de vrijwilligers terecht kunnen met hun vragen en twijfels.’ Andere organisaties hebben ook een taak in de signalering, volgens Pharos. ‘Ook klantmanagers van de gemeente en taaldocenten hebben baat bij zo’n training.’

6- ZORG ALS GEMEENTE VOOR EEN ACTUELE SOCIALE KAART.
Daphne wist niet bij wie ze met haar zorgen om Abdullah terecht kon. De instanties die zij benaderde, wisten het ook niet. Niemand kon haar verder helpen. Met alleen het signaleren van psychische problemen ben je er nog niet. ‘Je moet ook weten naar wie je vervolgens kunt doorverwijzen voor hulp,’ vertelt Larissa van Beek van ARQ. Het kenniscentrum heeft daarom een een nationale sociale kaart gemaakt, met een overzicht van interculturele ggz-instellingen en organisaties die op cultuursensitieve wijze ondersteuning bieden. Maar daarnaast is het van groot belang dat er ook op gemeentelijk niveau een sociale kaart beschikbaar is, met alle lokale instellingen en organisaties. Van Beek: ‘Ook de wachtlijsten moeten in kaart gebracht zijn. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de gemeente. Die moet de kaart up to date houden en zorgen dat iedereen ervan op de hoogte is.’ Volgens Pharos heeft de gemeente bovendien een verantwoordelijkheid voor voldoende aanbod vanuit zorginstellingen. ‘Vanuit hun regierol kan de gemeente het bij instellingen aankaarten wanneer zorg niet beschikbaar is of slecht toegankelijk is’, stelt Bloemen.

7- WEET: MET EEN VERBLIJFSVERGUNNING ZIJN NIET ALLE PROBLEMEN OPGELOST.
Abdullah was blij toen hij zijn verblijfsvergunning kreeg. Maar met zijn verblijfsvergunning kwamen nieuwe zorgen en problemen. En zijn psychische klachten waren niet zomaar verdwenen.

‘In de eerste drie maanden gaat iemand vaak als een speer,’ vertelt Margreet Komtebedde, voormalig teamleider bij VluchtelingenWerk Den Haag. ‘Daarna krijgen mensen soms een terugval en zijn ze ineens niet meer van de bank af te krijgen. Je ziet dat de verwerking van wat ze hebben meegemaakt vaak pas begint als ze tot rust komen. Ze hebben lang in de overlevingsmodus gezeten, en dan begint ineens het echte leven weer.’

Met een verblijfsvergunning breekt voor een vluchteling juist de meest kwetsbare periode aan,’ stelt Larissa van Beek van ARQ Kenniscentrum Migratie.

Ali Al-Sheikh heeft het gezien bij mensen om zich heen, en ook zelf aan den lijve ervaren. ‘Het krijgen van een verblijfsvergunning was lang mijn enige doel. Toen ik mijn status kreeg, ging ik ineens meer over mijn familie en mijn land nadenken. Ik ging me zorgen maken over mijn toekomst. Een leven opbouwen in een hele nieuwe cultuur gaf me veel angst. Waarom ben ik nu somber, vroeg ik me af. Ik heb mijn status toch? Maar het is zoveel complexer dan dat. Met je status sta je pas aan het begin van een lang traject, met veel nieuwe dingen en onzekerheden. Ik voelde me daarin heel alleen.’

Iedereen die met statushouders werkt zou zich bewust moeten zijn van deze valkuil. In de eerste plaats natuurlijk begeleiders van VluchtelingenWerk, medewerkers van de gemeente, taaldocenten, huisartsen en behandelaars in de ggz. ‘We moeten met z’n allen veel meer oog hebben voor de geestelijke gezondheid van statushouders,’ stelt Evert Bloemen van Pharos. ‘Psychische problemen zijn de meest voorkomende oorzaak van het vastlopen van nieuwe statushouders.’


VERANTWOORDING
Vanwege het medisch beroepsgeheim doet Centrum ’45 geen uitspraken over individuele patiënten. De informatie over Abdullah’s behandeling en zijn ziektebeeld is afkomstig uit andere bronnen, zoals zijn advocaat en zijn vrienden, die zijn dossier met ons deelden.

Naast de genoemde mensen in het artikel hebben we gesproken met Abdullah’s vrienden Arie Visser en Abdullah Mohamadi, Ugur van de snackbar onder Abdullah’s woning, Ahmed Pouri (coördinator van vluchtelingenorganisatie Prime), Joris Wijsmuller (oud-wethouder Den Haag), Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) en Boukje Berents (advocatenkantoor Hamerslag & Van Haren).

 

Tekst: Rinske Bijl en Nora Uitterlinden (vn.nl)

 

Geef een reactie