Home
|
Over Prime
|
Actueel
|
Vacatures
|
Contact
|
Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling Couwenhoven 52-05 3703 ER Zeist tel. 030-6956867 email: sagitar@hetnet.nl
Aan de Hoofdofficier van Justitie van het ressort Haarlem de heer mr. B.W.J. Steensma Postbus 601 2003 RP Haarlem
Aan de Hoofdofficier van Justitie van het ressort Den Haag de heer mr. H.J. Moraal Postbus 20302 2500 EH Den Haag 2 december 2005
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij verzoek ik u, als gemachtigde van de aan de voet van deze aangifte nader genoemde personen, tegen de minister van Justitie Donner en de minister van Integratie en Vreemdelingenbeleid Verdonk vervolging in te stellen wegens het onderwerpen van personen aan een wrede en onmenselijke behandeling in de zin van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Anti-Folterverdrag (AFV). Van deze wrede en onmenselijke behandeling maken zelfs gedragingen en nalatigheden van de minister van Justitie Donner en de minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk deel uit, die van een zodanige aard zijn dat zij hebben geleid tot dood door schuld, alsmede tot medeplichtigheid aan het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel.
Reeds thans is, op basis van publiek kenbare en publiek bekende gegevens, voldoende duidelijk dat de verantwoordelijke minister van Justitie Donner en de verantwoordelijke minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zich jegens de slachtoffers en overlevenden van de catastrofele brand in het detentie-centrum Schiphol-Oost schuldig hebben gemaakt aan 'een wrede en onmenselijke behandeling' in de zin van het Anti-Folterverdrag.
Derhalve is het niet nodig, en daarmee ook onwenselijk, om dienaangaande eerst de uitkomst van aangekondigde onderzoeken af te wachten. De reeds bekende feiten spreken hier voor zich.
Strafrechtelijke vervolging van minister van Justitie Donner en van de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk dient dan ook, in het licht van de ernstige strafbare feiten in het kader van het Anti-Folterverdrag waaraan zij zich jegens de slachoffers en overlevenden van de catastrofe op Schiphol hebben schuldig gemaakt, zo spoedig mogelijk ter hand te worden genomen.
Dit om de door hun misdadige optreden geschokte rechtsorde te herstellen. En als een eerste aanzet om Nederland als rechtsstaat weer opnieuw op de kaart te zetten.
Een en ander is daarbij gebaseerd op de navolgende gronden:
A. WREDE EN ONMENSELIJKE BEHANDELING VAN DE ZIJDE VAN MINISTER VAN JUSTITIE DONNER EN MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN VERDONK JEGENS DE SLACHTOFFERS EN OVERLEVENDEN VOOR EN TIJDENS DE RAMP
1. Iedere menselijkheid zoek
1.1. Op de achtergrond van de gruwelijke brand, die op 27 oktober 2005 in het detentiecentrum Schiphol-Oost plaatsvond, waarbij elf mensen een verschrikkelijke dood vonden en vijftien mensen gewond raakten, waarvan één zwaar, en en waarvoor minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk een strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen wegens het onderwerpen van personen aan een wrede en onmenselijke behandeling
- waarbij er zelfs sprake is geweest van zodanige gedragingen en nalatigheden dat zij hebben geleid tot dood door schuld, alsmede het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel -
staat een keihard repressief beleid, uitgevoerd door diezelfde minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, tegen vreemdelingen die illegaal zijn verklaard. Iedere menselijkheid is bij dit beleid zoek.
2. Dood door schuld als een functie van wrede en onmenselijke behandeling
2.1. Kern van deze aangifte vormt het feit dat minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zich jegens de slachtoffers schuldig hebben gemaakt aan een wrede en onmenselijke behandeling in de zin van het Anti-Folterverdrag (AFV), en dat ook hun rechtstreekse verantwoordelijheid voor de dood door schuld jegens, alsmede het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel aan, de slachtoffers en overlevenden van deze gruwelijke brand als zodanig moeten worden gezien als onderdeel van, en voortvloeiend uit, deze wrede en onmenselijke behandeling.
2.1. Niet het zelfstandige delictskarakter van dood door schuld, alsmede het toebrengen ernstig lichamelijk letsel voor wat betreft de slachtoffers van deze brand staat hier dan ook voorop. Maar bepalend is hier het feit dat deze delicten fungeren als onderdeel van - en als zodanig deel uitmaken van - een breder complex van handelingen en nalatigheden, die tesamen een delict naar internationaal humanitair recht vormen, in casu het onderwerpen van degenen die - uiteindelijk - deze gruwelijke brand aan den lijve te ervaren kregen aan een wrede en onmenselijke behandeling.
3. Het onderwerpen van onschuldige mensen aan een zwaarder detentieregime dan gewone criminelen
3.1. Binnen het aldus aangegeven kader is minister van Justitie Donner rechtstreeks verantwoordelijk voor de oprichting, instandhouding en uitbreiding met steeds weer nieuwe units van het uitzet- en detentiecentrum Schiphol-Oost, met name (ook) bestemd voor de opsluiting van onschuldige mensen, die hem, noch wie dan ook in de Nederlandse samenleving, ook maar iets hebben misdaan, in casu 'vreemdelingen'.
3.2. Het gaat hier dan om vreemdelingen, die geen enkel strafbaar feit hebben gepleegd. Maar die nochtans in vreemdelingendetentie worden onderworpen aan een regiem en aan detentieomstandigheden die veel zwaarder zijn dan in strafgevangenissen en in huizen van bewaring geldt.
3.3. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat het gruwelcomplex Schiphol-Oost, waarin op 27 oktober 11 mensen levend verbrandden, met concrete mensen van vlees en bloed, die daar gevangen worden gehouden, werd gevuld. Een groot deel daarvan heeft zich aan geen enkel misdrijf schuldig gemaakt en is dus totaal onschuldig.
4. Op kosten van de veiligheid zo goedkoop mogelijke opsluiting
4.1. Minister van Justitie Donner is rechtstreeks verantwoordelijk voor het feit dat deze voorziening, met name ook bestemd om onschuldige mensen onder mensonterende omstandigheden uit onze maatschappij verwijderd te houden en van hun vrijheid te beroven, zo goedkoop mogelijk werd geconstrueerd en gerund, waarbij hij zich aan te stellen bouwtechnische eisen van brandveiligheid niets gelegen liet liggen. 4.2. Bij het streven om de kosten van dit soort voorzieningen voor met name (ook) vreemdelingenbewaring zo laag mogelijk te houden, werd het bewuste complex, dat begin 2003 werd opgeleverd, in de vorm van prefab unitbouw gerealiseerd. Dit als een zo snel en zo goedkoop mogelijke oplossing om zo veel mogelijk cellen te creëren, met in principe vrijwel onbeperkte uitbouwmogelijkheden.
4.3. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat concrete onschuldige mensen van vlees en bloed werden gedwongen om opsluiting in dit complex Schiphol-Oost, dat volstrekt niet voldeed aan te stellen bouwtechnische eisen van brandveiligheid, te ondergaan.
5. Opzettelijk en strafbaar verzuim ten aanzien van de brandveiligheid
5.1. Minister van Justitie Donner is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat, hoewel in dit complex waarin onschuldige mensen ter opsluiting werden weggeborgen reeds twee keer eerder brand had gewoed, zodat hij ook reeds daarom voldoende gewaarschuwd was voor de gevaren waaraan mensen die in dit complex opgesloten worden zouden zijn blootgesteld, dit complex niettemin, als plek waar mensen van staatswege worden gedwongen om in opsluiting te leven, door hem in gebruik werd genomen en in gebruik werd gehouden.
5.2. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat zij, ondanks deze eerdere branden, niet aarzelde om dit complex met concrete, voor een groot deel onschuldige mensen van vlees en bloed op te vullen, in de volle wetenschap dat die daar bij een nieuwe brand geen kant op zouden kunnen.
5.3. Minister van Justitie Donner is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat, na de eerste grote brand in het complex, toen er godzijdank nog geen mensen gedwongen waren om daar verblijf te houden, de waarschuwingen en klemmende aanbevelingen van het NIBRA, het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding, inhoudende:
- de bouwtechnische constructie moet zodanig worden gewijzigd en uitgevoerd dat alle cellen ten opzichte van elkaar tenminste 30 minuten brandvertragend zijn; - ook voor het overige moet de bouwtechnische constructie van het complex zodanig worden gewijzigd en uitgevoerd dat ook alle overige ruimten ten opzichte van de cellen 30 minuten brandvertragend zijn; - elke cel moet voorzien zijn van een brandmelder; - alle brandmelders moeten op hun beurt weer doorgekoppeld worden naar een regionale brandmelding,
in elk geval op essentiële onderdelen werden genegeerd. 5.4. Deskundigen zijn het erover eens dat, waren deze aanbevelingen wél integraal uitgevoerd, niet binnen de tijd dat de gruwelijke brand van 27 oktober 2005 in vleugel K van het complex heeft gewoed, 11 cellen hadden kunnen uitbranden. Tenzij in het uiterst onwaarschijnlijke geval dat op meerdere plaatsen tegelijk in de betrokken cellen brand zou zijn uitgebroken of op meerdere plaatsen tegelijk kortsluiting zou zijn ontstaan, waarvoor trouwens elke aanwijzing ontbreekt. 5.5. Bij een adequaat werkende brandvertraging van 30 minuten tussen de aanliggende cellen onderling, alsmede tussen de cellen en alle overige ruimten van het complex, had de brand die om zich heen greep niet het dramatische effect in de 11 cellen gehad, als alle door het NIBRA voorgeschreven aanbevelingen inderdaad op een integere manier zouden zijn uitgevoerd.
5.6. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt Harry van Zandwijk aan het woord, directeur van een van de leveranciers van de containers, waaruit het cellencomplex Schiphol-Oost is samengesteld. Hij stelt dat de wanden van de cellen, die volgens de beschrijving van de Leeuwarder Courant bestaan 'uit onder meer alumuniumplaat, glaswol en triplex', een half uur brandwerend zouden zijn, 'zoals de regels gebieden'.
De Leeuwarder Courant vervolgt dan:
"Volgens hem zijn er TNO-rapporten die dat kunnen aantonen, maar TNO zegt dat het iets anders ligt. Er bestaan weliswaar rapporten, maar die hebben betrekking op containerunits waaruit het detentiecentrum Zeist is opgebouwd. Bovenop de units wordt een zwevend tropendak geplaatst. Ook tussen de cellen is ruimte. Over deze loze ruimten velt het Nederlands Instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Ni- bra) in december 2002 een vernietigend oordeel. Aanleiding is een brand op 30 november in vleugel C van het gebouw, die dan nog in aanbouw en onbewoond is. Vooral door de ruimten boven en tussen de cellen grijpt het vuur flink om zich heen. Om het complex brandveilig te maken, moet dat verholpen worden, aldus het Nibra. Het is nog steeds onduidelijk of dat ook gebeurd is."
5.7. De Telegraaf van 29 oktober 2005 weet te melden dat de cellen feitelijk metalen containers zijn, bekleed met houtplaat en kunststof, en stelt verder:
"Bij het bergen van de slachtoffers in hun cellen kreeg de brandweer gisteren aanwijzingen dat de cellen niet brandwerend waren. 'Een aantal mensen lag in hun cel versmolten in het plastic. De kunststof was door de hitte van de muren gedropen',aldus een ooggetuige."
En Trouw van 19 november 2005 meldt in dit verband dat de bekleding van de cellen grotendeels bestaat uit trespa, geperste platen van papier en houtvezels, waarin een kunsthars is verwerkt. Bij verbranding daarvan kunnen giftige stoffen vrijkomen.
De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 vermeldt:
"De gevangenen klagen nog steeds over hoofdpijn."
Dit kan zeer wel een oorzaak vinden in het inademen van dergelijke giftige stoffen bij de brand.
5.8. Gesteld echter dat de wanden van de cellen inderdaad, in tweede instantie, voldoende brandwerend zouden zijn gemaakt, conform de aanbevelingen van het het NIBRA - en er zijn reeds aanstonds overtuigende bewijzen van het tegendeel, die hieronder te berde zullen worden gebracht -, dan zou dit desalniettemin nog allerminst betekenen dat daarmee ook zou zijn voldaan aan de aanbeveling van het NIBRA om de bouwtechnische constructie van het complex zodanig te wijzigen dat ook alle overige ruimten ten opzichte van de celllen 30 minuten brandvertragend zouden zijn. Niet alleen de snelheid waarmee het vuur zich verspreidde, maar ook van elkaar onafhankelijke rapportages van vóór de catastrofale brand, als ook de getuigenissen van wat er gebeurde tijdens de brand, loochenstraffen dat dit het geval zou kunnen zijn geweest.
5.9. Op 1 november 2005 maakt de Telegraaf, onder de kop "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", in dit verband melding van de getuigenis van een brandweerman, die in het voorjaar van 2005 in het complex een niet betaalde verkeersboete uitzat:
"Nu zegt de hoogopgeleide brandweerman: 'Ik schrok enorm van wat ik er aantrof. Ik ben een bevoegd brandpreventiefunctionaris en bevelvoerder; dit complex had nooit, maar dan ook nooit goedkeuring mogen krijgen.' Het eerste wat opviel was de onverdraaglijke hitte in de celcontainers, waaruit het complex bestaat. 'Zelfs in zwembroek liep het zweet je van de rug. De kachel in de wand was witheet, de thermostaat werkte niet. Ik riep een bewaarder, maar die vertelde dat de technische man er pas maandag was. Omdat ik brandweerman ben, mocht ik zelf kijken..' Hij zegt op dát moment in de technische ruimte een vooruitblik te hebben gekregen op de ramp. 'Alle cellen bleken aangesloten op een ventilatiekanaal dat uitkwam in de technische ruimte. Bij brand door kortsluiting kon vuur zich explosief verbreiden. Ik heb gezegd: joh, dit is hartstikke illegaal! De bewaker haalde zijn schouders op. Mijn verbazing werd nog groter toen ik de electrische installatie bekeek, een sterk verouderd type, waarbij de zekeringen waren overbrugd. Levensgevaarlijk! Terwijl er een zekering in mocht van maximaal 16 ampère, zat er een van 25 in. Er kon zo enorm veel stroom door, dat draden smolten van de warmte."
5.10. Alle gedetineerden in de K-vleugel die de brand overleefd hebben, maakten er melding van hoe rook via het ventilatiekanaal hun cel binnendrong. Hetgeen demonstreert dat tenminste (ook) op dit cruciale punt adequate verbeteringen waren uitgebleven.
5.11. De Telegraaf van 5 november 2005 laat de overlevende van de brand, de Roemeen Raul Haim aan het woord, die in dit verband stelde:
"We hebben de dood in de ogen gekeken. Ik ben nog altijd in een shock. De rook werd via het ventilatiesysteem onze cel ingepompt."
5.12. De Telegraaf van 1 november 2005 vervolgt zijn artikel, onder de kop "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", met een andere getuigenis:
"Ook een 39-jarige timmerman, die de bouw van de cellen coördineerde, reageert geschokt. Maar ook voor hem kwam de razendsnelle vuurzee niet als een verrassing. 'Al tijdens de bouw heb ik gewaarschuwd dat de cellen levensgevaarlijk waren door gebruik van brandgevaarlijk materiaal. Ze wilden niet luisteren. Snel en goedkoop was het motto. Ik moest mijn mond houden, doorwerken en me aan de bouwtekening houden', aldus de timmerman, die uit vrees voor ontslag anoniem wil blijven. Het detentiecentrum bestaat uit aan elkaar gekoppelde containers gefabriceerd door de Oostenrijkse firma Containex. De containers zijn in Nederland in rap tempo afgetimmerd en vervolgens overgebracht naar Schiphol-Oost. Wij moesten er een echte cel van maken. 'Ik heb wanden geplaatst, de stalen deuren gemonteerd, net als het bed, de wc en de tafel', zegt de timmerman. Op Schiphol-Oost werden de cellen in rijen van 13 op zestig centimeter hoge schragen geplaatst en overkapt met een soort zwevend dak. Ook tussen de cellen was ruimte. 'Dat is gevaarlijk bij brand. Die kan dan gemakkelijk overslaan. En hoe meer zuurstof hoe feller een brand.'"
5.13. En de eerder geciteerde brandweerman verklaarde in dit verband nog, aldus de Telegraaf van 1 november 2005:
"Dat het pand wel was goedgekeurd, noemt hij onbegrijpelijk. 'Elke brandweerspecialist had er de vloer mee moeten aanvegen. Aanpassen of direct ontruimen, dat had het oordeel moeten zijn. Een brand kon alleen maar leiden tot een ramp, en dat is het ook geworden.'"
5.14. Dat echter ook aan de aanbeveling van het NIBRA om de cellen onderling voor tenminste 30 minuten brandvertragend te maken geenszins een passende uitvoering was gegeven, wordt onomstotelijk aan het licht gebracht door een onderzoek dat half november 2005 door de brandweer van de gemeente Haarlemmermeer werd uitgevoerd. In elk geval voor wat betreft de vleugels L en M van het complex werd daarbij vastgesteld dat de scheidingswanden niet gedurende 30 brandwerend waren.
De NRC van 25 november 2005 meldde, onder de kop "Cellencomplex blijft gebreken vertonen", dat Rijksgebouwendienst (RGD) had laten weten dat verbeteringen snel zouden kunnen worden uitgevoerd, maar dat vanuit de gemeente Haarlemmermeer daar het volgende tegenover werd gesteld:
"Er moeten zo spoedig mogelijk 24 uur per dag tien bedrijfshulpverleners paraat zijn, vindt de brandweer. Tot die tijd is op het terrein een brandweerwagen gestationeerd."
5.15. Ook hier, zelfs in deze fase van het treurspel detentiecomplex Schiphol-Oost, presteerde de directie van deze instelling het om, onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van minister van Justitie Donner, schaamteloos te blijven chicaneren bij de uitvoering van deze noodmaatregel, op kosten van de veiligheid van de gedetineerden. Omtrent deze door de gemeente Haarlemmermeer geëiste permanente aanwezigheid van tien bedrijfshulpverleners meldde Trouw van 26 november 2005:
"Bij controle ontdekte de brandweer dat die er alleen 's nachts waren."
Terwijl de NRC van 25 november 2005 in dit verband wist te melden:
"De directie van het detentiecentrum verkeerde in de veronderstelling dat de extra hulpverleners alleen 's nachts de wacht moesten houden."
5.16. Amnesty International stelt in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005, op dit punt, na te hebben vastgesteld dat redding van de ingeslotenen onder meer faalde door gebrek aan training van het personeel:
"Additionally, the alleged lack of fireproof doors in the centre allowed the fire to spread more quickly."
5.17. Berichten van de plaatselijke brandweer, onmiddelijk na de brand, dat aan de te stellen eisen van brandveiligheid zou zijn voldaan, hebben dan ook in elk geval geen betrekking op het voldoende brandwerend maken van de cellen onderling en ten opzichte van alle ruimten waarmee verbindingen bestaan, dan wel demonstreren slechts incompetentie.
6. Opzettelijk in permanent levensgevaar brengen als gevolg van levensbedreigende bouwtechnische gebreken als functie van een wrede en onmenselijke behandeling
6.1. Willens en wetens schiep minister Donner, door dit complex dat aldus was behept met levensbedreigende bouwtechnische gebreken, te handhaven, in stand te houden en uit te breiden met nieuwe units, aldus opzettelijk de mogelijkheid dat opgeslotenen daardoor om het leven zouden komen. Dit als onderdeel van een wrede en onmenselijke behandeling.
6.2. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er rechtstreeks verantwoordelijk voor dat het complex, ondanks deze levensbedreigende bouwtechnische gebreken, met mensen werd gevuld. Willens en wetens bracht zij daarmee concrete mensen van vlees en bloed, die door haar aan een gedwongen verblijf in het complex werden onderworpen, in een permanente situatie van levensgevaar.
6.3. Niet alleen cruciale aanbevelingen van het NIBRA tot het aanbrengen van adequate bouwtechnische bandwerende voorzieningen werden op kritieke punten door minister van Justitie Donner in de wind geslagen, hoewel hij, op grond van de eerdere branden, zeer wel bekend was met de brandgevaarlijkheid van het complex, ook de aanbevelingen van een later onderzoek naar de brandveiligheid, uitgevoerd door de Commmissie Toezicht Detentieplaatsen o.l.v. de heer J. Siepel, werden op cruciale punten door minister van Justitie Donner genegeerd, waaronder met name de aanbeveling om het complex te voorzien van een centraal celdeurontgrendelingsssysteem.
7. Goedkope bouwtechnieken, opzettelijke onderbezetting en het laten optreden van onvoldoende gekwalificeerd personeel ten koste van de veiligheid
7.1. Het is voorts van openbare bekendheid, en als zodanig ook niet voor tegenspraak vatbaar, dat het doelbewust en doelgericht het oogmerk vormde van de minister van Justitie Donner en van de minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, om de enorme schaalvergroting van detentie- en uitzetvoorzieningen voor vreemdelingen, die de laatste jaren door hen werd gerealiseerd, alsmede ook het daarbij behorende apparaat, zo goedkoop mogelijk te houden. Dit ten koste van de veiligheid, alsmede ten koste van een menselijke behandeling en een menswaardige bejegening van die vreemdelingen, die in hun handen vallen.
7.2. De uitzetcentra (UC's) vormen daarbij een onderdeel van het Veiligheidsprogramma 'Naar een Veiliger Samenleving', waarin onder anderen meer celcapaciteit en een snellere verwijdering van vreemdelingen als beleidsdoelstelling worden uitgewerkt, en waarbij deze koppeling tussen 'vreemdeling' en 'veiliger samenleving', in de contekst van een explosieve toename van het aantal beoogde detentieplaatsen voor illegale vreemdelingen tot in totaal 21.000, in penitentiaire inrichtingen, politiebureau's, vertrekcentra, uitzetcentra, grenshospitia en detentieboten, bijdraagt aan een verdere negatieve beeldvorming over migranten en vreemdelingen.
7.3. Bij de enorme uitbouw van detentievoorzieningen voor vreemdelingenbewaring en vreemdelingenuitzetting, die door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk in korte tijd tot stand werd gebracht, werd dus voorop gesteld dat dit zo goedkoop mogelijk moest gebeuren. Vandaar dat naar omgebouwde containers werd gegrepen, die in schakelbouw konden worden neergezet. In het artikel "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", in de Telegraaf van 1 november 2005, geeft de brandweerman die van binnen uit met het Schiphol-complex te maken kreeg als zijn conclusie op dit punt:
"Dat complex was spotgoedkoop gebouwd".
Terwijl de timmernam die in dit artikel eveneens aan het woord komt aangeeft hoe de aangeleverde containers 'in rap tempo werden afgetimmerd' en aan elkaar werden gekoppeld.
7.4. Het veiligheidsrisico voor de opgeslotenen werd daarbij met name nog verder verhoogd doordat minister van Justitie Donner en minister van Vreemdelingenzaken met betrekking tot deze categorie inrichtingen een beleid voerden, waarbij minder, goedkoper en minder gekwalificeerd personeel wordt ingezet dan gebruikelijk in dententie-instellingen.
7.5. Het gaat daarbij om een grootschalige inzet van personeel, vaak via uitzendbureau's aangetrokken, dan wel via Securicor ingehuurd, dat na een korte cursus op de gedetineerden wordt losgelaten.
De dienst van Justitie die zich met dit segment bezig houdt, wordt door de ABVA/KABO gekwalificeerd als 'een vrijstaat', waarin wordt geëxperimenteerd met zo goedkoop mogelijke werkvormen.
7.6. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt in dit verband een getuigenis aan de orde van een gedetineerde en een bewaarder uit het Schiphol-complex:
"Over het personeel maakten de gevangenen zich meer zorgen. 'Als je hen belde, duurde het soms wel twintig minuten tot een half uur voordat ze kwamen opdagen', verklaart een vrouwelijke gedetineerde uit vleugel J. 'Ze waren agressief en scholden iedereen uit voor bolletjesslikker.' Een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen bevestigt dat het er in de detentiecentra niet altijd zachtzinnig aan toe gaat. Vooral de mensen van het particuliere beveiligingsbedrijf Securicor moeten het ontgelden. 'Ze kunnen de deur opendoen en iemand zijn eten geven, maar dat is het dan ook.'"
En:
"Veel van zijn collega's hebben geen greintje respect voor de gedetineerden, zegt hij. 'Vooral de vluchtelingen worden continu uitgescholden. Ga terug naar je eigen land, dat soort teksten. Er zijn zelfs collega's die de Hitler-groet brengen, recht voor hun neus. Het ergste dat ik heb gehoord is dat a-sielzoekers tijdens de ramadan om zeven uur vroegen om eten en thee. Ze kregen te horen dat ze maar even moesten wachten.'"
7.7. Daags na de brand getuigde een ex-bewaarder in de Telegraaf van 29 oktober 2005:
"Gedetineerden die in hun cel op de bel drukten, kregen vaak geen reactie. Sommige belletjes deden het gewoon niet. Ook was er vaak niemand op de post om op het verzoek te reageren of werd het belletje gewoon genegeerd.'"
7.8. Aangezien veel aldus aangestelde 'bewaarders', door gebrek aan de noodzakelijke opleiding, veelal niet voor hun taak berekend zijn, en agressie, door de barre detentie-omstandigheden, veelvuldig voorkomt, is repressie de standaard-bejegening in detentiecomplexen als Schiphol-Oost, en komen gevangen die als lastig worden ervaren onverbiddellijk in de isoleercel. 7.9. In een NOVA-uitzending in mei 2004 werd de forse kritiek die de OR van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) leverde op de opleiding van personeel voor de nieuwe vertrekcentra onder de aandacht gebracht. Volgens de OR vertoonde het zogenaamde opleidingsprogramma 'schokkende tekortkomingen', zoals bleek uit een brief van de OR aan het hoofd van de IND, waar NOVA de hand op had gelegd.
Zo waren er volgens de OR geen werkinstructies voor de werknemers van de IND, was de opleiding technisch ingericht zonder dat rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van uitgeprocedeerden en werd de veiligheidssituatie en wat te doen bij crisis nergens genoemd.
Het ging hier om het opleidingsprogramma bedoeld voor ruim 160 werknemers van de IND, die in de nieuwe vertrekcentra zouden moeten gaan werken. Voor de menselijke en emotionele kant van de zaak was dus, ook voor wat de nieuw op te leiden IND-functionarissen betreft, bij de opleiding geen plaats. 7.10. Ook alleen al deze beleidsmaatregelen van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenbeleid Verdonk om, voor deze categorie inrichtingen, met betrekking tot de hier opgeslotenen een bejegeningsbeleid te voeren van structurele onderbezetting, waarbij dan tegelijkertijd ook nog zwaar wordt geleund op personeel dat onvoldoende is gekwalifi- ceerd, zijn op zichzelf al dermate nalatig, dat de rampzalige gevolgen van de brand, als functie van een wrede en onmenselijke bejegening jegens de slachtoffers en overlevenden hiervan, reeds daarom strafrechtelijk voor hun rekening dient te worden gebracht.
7.11. De medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen, die in de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 aan het woord komt, stelt in dit verband:
"Van zijn collega's op Schiphol heeft hij verschrikkelijke verhalen gehoord. Zo zou er 's nachts niemand aanwezig zijn bij de vluchtelingen. (...) 'Het brandalarm gaat er regelmatig af. Dat drukken de bewakers in negen van de tien gevallen weer weg.'"
7.12. Een aantal bronnen vermeldt dat, op de nacht van de ramp, drie bewakers aanwezig zouden zijn geweest op de K-vleugel, voor de bewaking van de in totaal 43 mensen die daar in cellen verbleven.
Andere bronnen spreken niet van drie bewakers die die nacht op de K-vleugel aanwezig waren, maar slechts van 3 bewakers die die nacht voor de K-vleugel verantwoordelijk waren. De Volkskrant, die op 5 november 2005 met een reconstructie van de gebeurtenissen kwam, vermeldt hierin zelfs:
"De vleugels J en K hebben 's nachts geen toezicht." 8. Opzettelijke verwaarlozing ten aanzien van rampenpreventie en rampenbestrijding
8.1. Het bovengenoemde advies van de Commissie Toezicht Detentieplaatsen, onder leiding van de heer J. Siepel, resulteerde, behalve in de aanbeveling tot het aanbrengen van een centraal deurontgrendelingssysteem, ook nog in de aanbeveling om een brandveiligheidsplan te maken en een evacuatieplan te ontwepen, en een en ander regelmatig te oefenen met het personeel.
8.2. Ook van deze laatste aanbeveling van de Commissie Toezicht detentieplaatsen kwam, onder de hier vigerende condities, niets van terecht. De Leeuwarder Courant van 15 november 2005 wist in dit verband te melden:
"Justitie heeft in het detentie- en uitzetcentrum op Schiphol-Oost de regels voor brandveiligheid jarenlang stelselmatig overtreden. Brandwerende deuren stonden open en nooduitgangen waren afgesloten. Ook bleven boven rookwerende deuren ventilatieroosters aangebracht, waardoor rook zich bij een brand snel kon verspreiden."
En:
"De brandweer stelt bij meerdere inspecties in 2003, 2004 en 2005 vast dat rook- en brandwerende deuren worden opengehouden. In de ruimtes van het OM, 'Ge-bouw 91', zijn aanduidingen voor vluchtroutes defect. Nooddeuren blijken alleen met een sleutel open te kunnen worden gemaakt. Omdat de ventilatie in het gebouw niet optimaal is, doet Achmea Arbo in oktober 2004 onderzoek. De inspecteurs constateren dat er luchtroosters boven de rookwerende deuren zijn geplaatst, waardoor rook zich snel kan verspreiden. 'Hierdoor is er sprake van een sterk verhoogd letselrisico met mogelijke dodelijke afloop bij brand.'"
8.3. En de Telegraaf van 1 november 2005 meldt ook nog een andere ingebouwde fundamentele onveiligheid, vastgesteld door de brandweerman die in het voorjaar van 2005 een weekend in het cellencomplex Schiphol-Oost was gedetineerd:
"'De brandmelders bleken omgeleid via de meldkamer, zodat er niet gelijk een sein naar de brandweer gaat. Ook dat mag niet, behalve als er continu personeeel om de vijf minuten polshoogte neemt. Maar in het weekeinde zaten ze er met z'n tweeën. Justitie heeft lak aan alle brandweervoorschriften...'"
8.4. Of beveiligingplannen en evacuatieplannen daadwerkelijk op schrift zijn gekomen is vooralsnog onduidelijk, maar essentieel is hier dat, ook als dergelijke plannen tot stand zouden zijn gebracht, zij dan in elk geval toch tot louter papier beperkt zijn gebleven, en het voor een groot deel onvoldoende gekwalificeerde personeel, dat een groot verloop kent, omtrent de inhoud daarvan niet werd geinformeerd, laat staan dat oefening en training van het personeel plaatsvond om dergelijke plannen, als ze al op papier waren gezet, in noodsituaties ten uitvoer te kunnen brengen.
8.5. Reeds op 29 oktober 2005 liet de Telegraaf anomieme bewaarders aan het woord, onder de kop "Het was wachten tot het fout ging":
"Het gisteren afgebrande cellencomplex op Schiphol was een tikkende tijdbom. 'Het was een kwestie van afwachten tot het mis zou gaan', zeggen gevangenisbewaarders een dag na de brand, die aan elf vreemdelingen het leven kostte. 'Het was een puinhoop', zegt de ex-bewaarder. 'Iedereen deed maar wat. Er zijn geen protocollen doorgenomen met het bewarend personeel over de brand. Als het misging, kon het maar één kant opgaan, namelijk heel erg mis.'"
8.6. Amnesty International stelde in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005:
"Amnesty International is concerned about allegations that earlier recommendations by fire prevention officials may not have been carried out, such as the failure to provide sufficient training to personnel. Reports suggest that this may have resulted in a delayed response on behalf of the personnel to cries for help from detainees."
8.7. Geldt dit laatste met name voor het optreden van personeel voor wat betreft de vleugel waar de brand direkt woedde, het ziet ernaar uit dat voor wat betreft het uitsluiten van gevangenen in andere delen van het complex echter ook nog een heel andere factor voor vertraging daarbij zorgde. En wel de vrees voor ontsnapping van de gedetineerden. In elk geval ontstond er, zo blijkt overtuigend uit de getuigenissen van de overlevenden, een synchroniteit tussen het gearriveerd zijn van marechaussee's ter plekke en het openen van de celdeuren.
8.8. Het gebrek aan heldere protocollen, dan wel onvoldoende kennis daarvan en/of oefening daarmee in situaties van brand, droeg ertoe bij dat het aanvankelijk ook met de bluswerkzaamheden mis ging. Dit omdat brandweer en personeel van de inrichting, bij gebrek aan instructies of althans aan oefening, klaarblijkelijk onvoldoende kennis van zaken had om de brandweerauto's meteen rechtstreeks naar de brand te leiden.
8.9. De reconstructie van de Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt:
"De eerste spuitwagen van de brandweer komt aan bij de Speedgate. Door die poort worden illegalen naar hun uitzetvliegtuig gebracht. De poort is een sluis van twee hekken. De bluswagen rijdt de sluis in. Dan ontstaat een misverstand: het hek achter de wagen moet eerst dicht, voordat hij verder kan rijden. Dat gebeurt niet. 'Door dat gezeik zijn minuten voorbijgegaan', zegt een brandweerman." 8.10 En de Leeuwarder Courant van 17 november 2005 meldt:
"Bij de brand op Schiphol waar elf illegalen omkwamen heeft de brandweer een hek rond het cellencomplex moeten openknippen om bij de brandhaard te komen. Daarbij is kostbare tijd verloren gegaan."
Dit artikel meldt verder:
"Door het gat in het hek konden vervolgens elf illegalen ontsnappen, van wie er nog vijf voortvluchting zijn."
8.11. De oud-bewaarder die in de Telegraaf van 29 oktober 2005, daags na de brand, aan het woord wordt gelaten, stelt in dit kader ook nog:
"'Er waren geen materialen voor bedrijfshulpverleners. We moesten het doen met een branddeken. Meestal waren er sowieso geen hulpverleners onder het bewarend personeel', zo somt de oud-bewaker zijn bedenkingen op."
8.12. En Trouw van 19 november 2005 berichtte:
"Justitie heeft het advies van brandbeveiligingsexperts genegeerd om bewaarders van de cellen persluchtmaskers te geven."
8.13. Trouw van deze editie wijst er dan vervolgens op:
"Bewaarders die poogden gevangenen te bevrijden, moesten stoppen omdat ze in ademnood verkeerden."
8.14. Terwijl de Volkskrant van 31 oktober 2005, onder de kop "Leiding doof voor grieven bewakers", tenslotte in dit kader nog weet te vermelden:
"Andere klachten die medewerkers hebben geuit zijn het gebrek aan personeel in de nachtdiensten en een tekort aan portofoons. De leiding heeft twee weken geleden de verbanddozen van een aantal units verwijderd omdat ze 'onnodig zouden worden gebruikt en niet goed werden bijgevuld.'"
8.15. Het gaat hier om even zovele opzettelijke grove nalatigheden en verwaarlozingen van de zijde van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk.
9. Verdere evidente bewijzen van opzettelijk in levensgevaar brengen van de opgeslotenen in Schiphol-Oost
9.1. Even verbijsterend als tekenend voor de volstrekt onverantwoorde opstelling van minister van Justitie Donner zijn ook de volgende voor hem buitengewoon belastende onthullingen, te berde gebracht door de Leeuwarder Courant van 15 november 2005, ontleend aan een dossier van de gemeente Haarlemmermeer:
"Uit de stukken blijkt dat de brandweer en de gemeente regelmatig botsten met justitie, dat gebruiker is van het complex op Schiphol-Oost. Justitie moest afgelopen mei tot twee keer toe een dwangsom van 1000 euro betalen omdat gebreken niet waren verholpen."
9.2. Trouw van 26 november 2005 stelde in dit kader:
"Haarlemmermeer heeft Justitie boetes van in totaal 3000 euro opgelegd, omdat bij herhaling rook- en brandwerende deuren in het uitzendcentrum open stonden."
9.3. En de extreme en verbijsterende onverschilligheid van minister van Justitie voor de veiligheid van lijf en goed van de betrokken illegalen blijkt ook nog eens onomstotelijk uit het navolgende, ontleend aan hetzelfde dossier van de gemeente Haarlemmermeer, bekend gemaakt door de Leeuwarder Courant van 15 november 2005:
"Uit het dossier blijkt dat de gemeente onder grote druk stond van justitie en de Rijksgebouwendienst (RDG). Justitie dringt er meerdere keren op aan nog voordat het gebouw brandveilig is bevonden, een aantal cellen in gebruik te nemen. 'Het alternatief is het heenzenden van gedetineerden', schrijft projectleider H. van Zanten van de RDG op 17 januari 2003 aan de gemeente. Kort na ontvangst van deze brief treffen inspecteurs van de gemeente al gedetineerden in het complex aan. Justitie wordt gesommeerd de cellen te ontruimen. Dat gebeurt pas na dreiging met een dwangsom."
10. Moedwillige afsluiting van nooddeuren en nooduitgangen om ontsnapping van onschuldigen te voorkomen als functie van een wrede en onmenselijke behandeling
10.1. Dat nooduitgangen moedwillig waren afgesloten, wordt ook vastgesteld in de reconstructie van de ramp, waarmee de Volkskrant van 5 november 2005 kwam. Hier wordt vermeld dat drie deuren die toegang geven tot de verschillende 'compartimenten' van het complex op slot waren. En dat de sleutels daarvan zoek waren. 'Bewaarders zaten binnen opgesloten en kregen die deuren niet open', aldus de Volkskrant van 5 november 2005, die vervolgt:
"Bewaarders hadden de leiding al maanden voor de brand gewezen op de onveilige situatie in het complex."
En:
"Door het gerommel met het systeem gingen de deuren waarschijnlijk niet open bij de brand, zeggen de bewaarders. 'We zagen dit aankomen, maar niemand wilde luisteren.'"
10.2. De reden waarom de nooddeuren waren afgesloten wordt dan als volgt beschreven:
"De nooddeuren van de vleugels zouden door de afdelingshoofden zijn ontkoppeld van het alarmsysteem. Het alarm ging te vaak af, vonden ze, en als die deuren open gingen nam de kans op onsnappingen toe."
10.3. Reeds op 31 oktober 2005 had de Volkskrant in dit verband aangegeven:
"De nooddeuren van in elk geval de vleugels J en K zouden zijn ontkoppeld van het alarmsysteem. Daardoor zouden de deuren bij brandalarm niet zijn opengegaan. Bij een werkend systeem hadden de gevangenen, nadat zij uit hun cellen waren bevrijd, via deze noodvoorzieningen de afdeling kunnen verlaten."
Als reden voor deze ontkoppeling van de nooddeuren van het alarmsysteem gaf de Volkskrant van 31 oktober 2005 aan:
"Volgens het personeel heeft de leiding dat systeem geblokkeerd omdat het brandalarm te vaak afging tijdens 'prullenbakbrandjes'. De kans op ontsnappingen nam daarom toe. De vreemdelingen zijn overdag niet ingesloten en zouden via de nooddeuren kunnen weglopen."
10.4. Al eerder, op 29 oktober 2005, citeerde de Telegraaf de volgende getuigenis op dit punt van een ex-bewaarder:
"De deuren van de centrale gang naar de vleugels met de vreemdelingencellen waren op slot. Eerst moest de sleutel worden gehaald voor we bij de cellen konden. De sleutel van de dichtsbijzijnde buitendeur, aan het einde van de cellenvleugel, lag bij de wachtcommandant. Dat hield in dat het minstens een kwartier zou duren voor de deur open kon."
11. Het opzettelijk in levensgevaar brengen van mensen door het afzien van een centraal deurontgrendelingssysteem om mogelijke ontsnappingen van onschuldigen te voorkomen
11.1. Minister van Justitie Donner is er voorts rechtstreeks verantwoordelijk voor dat het complex op Schiphol-Oost opzettelijk niet is uitgerust met een centrale deurontgrendeling.
11.2. Amnesty International verklaarde in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005:
"Efforts to rescue the persons trapped in the cells were hampered by the fact that their doors could not be opened centrally, but had to be opened one at a time by prison guards."
11.3. Onmiddellijk na de brand verklaarde minister van Justitie Donner dat weliswaar een aantal detentie-inrichtingen in Nederland van een dergelijke centraal deurontgrendelingssysteem is voorzien, maar dat bij het complex op Schiphol-Oost opzettelijk daarvan is afgezien.
11.4. Minister van Justitie Donner gaf daarvoor uitdrukkelijk niet besparingen als reden, maar voerde daarvoor letterlijk aan dat "..met een systeem waarbij, met een druk op de knop, alle cellen tegelijk openspringen geen penitentiaire instelling gerund kan worden."
11.5. Nu echter vast staat dat een groot aantal penitentiaire instellingen in den lande wel degelijk met een dergelijk centraal deurontgrendelingssysteem is uitgerust, zodat die betrokken penitentiaire inrichtingen, ondanks het door minister van Justitie Donner in dit verband gestelde, klaarblijkelijk wel degelijk op die manier zonder bezwaar gerund kunnen worden, en nu uit de bewoordingen van minister van Justitie Donner voorts moet worden afgeleid dat niet bezuinigingsoverwegingen aan de afwezigheid hier van een dergelijk centraal deurontgrendelingssysteem ten grondslag liggen, blijft slechts over dat minister van Justitie Donner kennelijk van oordeel is dat juist het risico dat, bij het centraal ontgrendelen van alle celdeuren als gevolg van een, al dan niet vals, brandalarm, illegale vreemdelingen zouden kunnen ontsnappen en zich uit de voeten zouden kunnen maken, als onaanvaardbaar moet worden beschouwd. En dat dit als erger zou moeten beschouwd dan het eventueel ontsnappen van 'gewone boeven', die zich bevinden in inrichtingen hier te lande die wél met een dergelijk centraal ontgrendelingssysteem zijn uitgerust.
11.6. Daarom waren ook de nooddeuren afgekoppeld van het alarmsysteem, zoals reeds eerder aan de orde gesteld. Er mochten immers eens opgesloten illegalen kunnen ontsnappen als de deuren ten onrechte zouden opengaan bij vals alarm !
11.7. Deze benadering past geheel in de criminalisering van illegale vreemdelingen, die door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk doelbewust wordt bedreven. De impliciete boodschap die, op die manier, door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk wordt gepropageerd, is dat illegale vreemdelingen een dermate verderflijke categorie mensen vormen, dat zij beter kunnen verbranden dan ontsnappen.
11.8. Dit moet letterlijk worden genomen. De minister van Justitie Donner en de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk zijn er immers rechtstreeks verantwoordelijk voor dat de nooddeuren waren ontkoppeld van het alarmsysteem, omdat anders gedetineerden, via deze nooddeuren, bij brandalarm zouden kunnen weglopen. 11.9. Evenzeer zijn minister van Justitie Donner en de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk rechtstreeks verantwoordelijk voor het aandringen om al een aantal cellen op Schiphol in gebruik te mogen nemen, voordat de brandveiligheid van het complex door de brandweer was gekeurd. Dit onder het argument dat immers diende te worden voorkomen dat illegalen weer op vrije voeten zouden moeten worden gesteld.
11.10. Terwijl minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk er zelfs toe overgingen om, ondanks de duidelijke afwijzing hiervan door de gemeente Haarlemmermeer, toch al een aantal gedetineerden in dit complex te plaatsen, voordat de brandweer het complex had gekeurd, welke door hen daar pas weer werden verwijderd na dreiging met een dwangsom.
11.11. Deze afschuwelijke criminalisering van illegalen verklaart ook de enorme ophef die direct werd gemaakt over het feit dat een handvol illegale vreemdelingen bij de brand zou zijn ontsnapt. Alsof het hier om levensgevaarlijke criminelen zou gaan. Minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zorgden er dan ook voor dat onmiddelijk na de brand, ja zelfs al tijdens de brand, een klopjacht werd ingezet om de voorvluchtigen te pakken te krijgen. Daarbij werd zelfs een helikopter ingezet.
12. Het opzettelijk langer ingesloten houden van onschuldige mensen in hun cellen bij de brand teneinde ontsnappingen te voorkomen
12.1. Zowel - anonieme - personeelsleden van het complex als slachtoffers hebben, elk onafhankelijk van elkaar, verklaard dat zij, toen de brand in de K-vleugel al volop woedde en ook hun cellen, op andere vleugels van het complex, zich met rook vulden, opzettelijk langer in hun cellen ingesloten werden gehouden, klaarblijkelijk om ontsnappingen te voorkomen.
12.2. Een Surinaamse gedetineerde verklaarde in dit verband uitdrukkelijk dat een vrouwelijk personeelslid expliciet weigerde om de cellen te openen, aanvoerende dat zij dat niet deed 'omdat zij dan haar baantje kwijt zou raken'.
12.3. Een andere getuige vermeldde dat een vrouwelijk personeelslid, toen de brand in volle gang was, in de cellengang verscheen waaraan haar cel zich bevond, maar weigerde de deuren op te maken. Zeggende dat zij dit niet deed, 'anders proberen jullie te vluchten'.
12.4. Een getuige noemde met name cellencomplex D als complex waar aanvankelijk geweigerd werd om de deuren open te doen. 12.5. De Iraniër Massoed Ban Bersa, die in de rampnacht in de vleugel J zat opgesloten, verklaarde in dit verband in een interview met 'Trajectum' van 21 november 2005, het magazine van de Hogeschool van U- trecht:
"Gelukkig was er bij ons geen brand, wel rook. We wilden er snel uit, maar dat ging niet."
13. Het boeien en onder schot houden van uiteindelijk uitgesloten onschuldige mensen en het aldus ook opzettelijk verhinderen dat zij anderen te hulp snellen
13.1. Niet alleen werd in een aantal vleugels geruime tijd geweigerd om de deuren open te maken, een aantal overlevenden getuigen er zelfs van dat, toen zij uiteindelijk toch werden uitgesloten, de marechaussee, met getrokken wapens, hen verhinderden om nog ingesloten mensen te hulp te snellen. 13.2. Een Afghaanse overlevende, geciteerd in de Volkskrant van 3 november 2005 verklaarde:
"We wilden de anderen redden, maar dat mocht niet. Ze hebben pistolen getrokken en die op ons gericht..Ik hoorde hulp ! hulp ! hulp ! Een politieman zei: I shoot you." 13.3. Meerdere getuigen onder de overlevenden verhaalden voorts hoe zij, toen zijn uiteindelijk werden uitgesloten, onder schot werden gehouden en soms zelfs geboeid.
13.4. In het bovengenoemde interview met 'Trajectum' van 21 november 2005 wordt omtrent de verklaring van de Iraniër Massoed Ban Bersa op dit punt gesteld:
"Eenmaal buiten krijgt de student handboeien om en wordt hij vastgemaakt aan iemand anders."
13.5. Een Algerijnse overlevende, geciteerd in de Volkskrant van 3 november 2005, verklaarde:
"We zaten toen in J en er kwamen zes of zeven politieagenten, die hebben pistolen gericht en ons aan elkaar geboeid en opgesloten in een kooi..Het vuur kwam steeds dichterbij, we hoorden gekrijs en geschreeuw."
13.6. Meerdere overlevenden verklaarden ook hoe zij, in een luchtkooi samengepakt, door marechaussee's onder schot werden gehouden en met wapens werden bedreigd.
13.7. Op 3 november 2005 bericht de Volkrant dat de marechaussee op Schiphol bevestigt dat mensen zijn geboeid en met vuurwapens bedreigd om te voorkomen dat ze zouden ontsnappen:
"Een aantal gevangenen hebben we geboeid om te voorkomen dat ze ontsnapten."
13.8. Een vrouwelijke gedetineerde verklaarde hoe zij een van de marechaussee's, in de buitengewoon gespannen en chaotische situatie op de luchtplaats, had horen zeggen: "Als het aan mij ligt, schiet ik jullie allemaal een kogel door de kop".
13.9. De Volkskrant van 3 november berichtte:
"Een brandweerman die bij de eerste aflossing rond zes uur arriveerde op Schiphol, wist niet wat hij zag. 'Er hing een fascistische sfeer. Zwaar bewapende mannen stonden om die stumpers heen. Het leek Guantánamo Bay wel'."
14. Falend optreden bij het optreden van de brand
14.1 De reconstructie van de Volkskrant van 5 november 2005 memoreert:
"Het brandalarm gaat af rond middernacht. Het is een hoge toon, hoorbaar op elke afdeling. De wachtcommandant gaat kijken, hij zit doorgaans in het hoofdgebouw. Er zijn negen bewaarders in het complex: zeven van justitie en twee van Securicor. (...) De wachtcommandant hoort het alarm, loopt naar K en ziet niets ongewoons. "De deur ging open en ik hoor iemand zeggen: vals alarm, vals alarm", zegt Mohamed Tahir, de Algerijn in cel 2, vlak bij de toegangsdeur. Een bezetting van in totaal negen man op het hele complex is een volstrekte onderbezetting.
14.2. In de reconstructie, waarmee de Leeuwarder Courant op 12 november 2005 kwam, is er sprake van dat Tahir twee bewakers hoorde weglopen:
"Dan opeens gaat de deur op de gang open. 'Vals alarm', hoort Tahir iemand zeggen. De Algerijn hoort twee bewakers weglopen en de deur op de gang dichtklappen."
Hieruit blijkt te overvloede dat er op de K-vleugel geen enkel personeelslid aanwezig was die nacht.
14.3. De reconstructie van de Volkskant van 5 november 2005 vervolgt dan:
"Even later klinkt weer dat hoge geluid. De wachtcommandant gaat dit keer naar afdeling D, maar ziet niets. Even later wordt duidelijk dat het echt mis is. Op vleugel K staat de cel van de Libiër in brand. Paniek breekt uit, de Libiër wordt uit de brandende cel gesleept. Zodra zijn celdeur wordt geopend, slaat de rook over. Op de hele afdeling hangt een dikke mist." 15. Gebrek aan onmiddellijke aktie bij ontdekking van de brand
15.1. Getuigen verhaalden, aldus de Volkskrant van 5 november 20005, hoe in de cellen van vleugel K, na het uitbreken van de brand, rook via de ventilator naar binnen kroop, waarna 'brand !, brand !' werd geschreeuwd. Getuige Momend Nouri verhaalde voorts dat, op geschreeuw en gebonk op de celdeuren van de ingeslotenen, vervolgens een vrouw voor het geopende celluikje verscheen, die, na geroepen te hebben 'rustig, rustig, er is niets aan de hand' vervolgens, door de rook op de gang, weer wegrende.
15.2. De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 verhaalt op dit punt:
"Ook Momen Nouri [bedoeld wordt hier: Momend Nouri], uit cel 12, hoort de bewakers binnen komen. 'Ik hoorde plotseling iemand om hulp roepen', vertelt de Afghaan. 'Er kwam een vrouw, die door een luikje mijn cel in keek. Ze zei dat er niets aan de hand was. Ik zag op dat moment al rook.'" 15.3. De Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt dan verder hoe deze vrouwelijke bewaker vervolgens pas na geruime tijd zou zijn teruggekomen zijn met twee andere vrouwelijke collega's. Enige tijd later maakten zij de celdeur van de betrokken getuige open.
15.4. De versie van de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 verluidt op dit punt:
"Volgens de beide gevangenen duurt het een kwartier voordat de bewakers weer terugkomen. Uit steeds meer cellen klinkt geschreeuw. 'Er ontstond ernorme paniek', zegt Tahir. "'Brand!', hoorde ik roepen, 'Brand!'. Het hield maar niet op.'" 16. Inadequaat handelen na het openen van de eerste deuren op de K-vleugel - tegenwerking van een aantal personeelsleden bij pogingen van gedetineerden om hun medegevangen het leven te redden
16.1. In de Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt de getuige Nouri dan vervolgens dat hij, zodra hij op de gang was, een van de vrouwen vroeg ook de andere deuren open te maken. Die begon te schreeuwen, aldus de getuige, en was bang dat hij haar kwaad wilde doen, wilde vermoorden. Maar hij, aldus de getuige, wilde alleen een sleutel om ook andere deuren open te kunnen maken. Vervolgens verhaalt hij hoe hij door het luikje van cel 9 keek en zag hoe twee mensen, brandend rondrenden in hun cel. Hij getuigt: "Mijn ogen zijn schuldig, want ik kon niks doen!".
16.2. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 worden deze ervaringen van de getuige Nouri als volgt opgetekend:
"Ook Nouri rent de gang op. 'Ik probeerde andere cellen te openen, maar dat lukte niet. Wel kon ik door het raampje kijken bij een cel. Ik zag twee mensen rennen. Ze brandden. Ik huilde, ik was helemaal kapot. Ik heb een vrouwelijke bewaker om een sleutel gevraagd, maar die kreeg ik niet en toen moest ik wel wegrennen. De rook dwong me.'"
16.3. Ook de reconstructie van de Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt hoe ook daarna, in dit geval de marechaussees, aanvankelijk verhinderd hebben dat al bevrijde gevangen hun nog ingesloten mede-gevangenen te hulp schoten. Getuige Momend Nouri stelde in dit verband:
"We wilden onze vrienden helpen, maar ze hadden hun geweren getrokken, we zagen dat onze vrienden doodgingen en een Afrikaan zei: schiet me maar dood dan. Drie, vier politiemannen waren het met de pistolen precies op ons gericht. Huilend heb ik gevraagd: geef die sleutel aan mij om die Koerdische man te redden. Pas toen kreeg ik hem en ben ik naar afdeling J gerend."
16.3. Getuige Mohamed Tahir, die zich in cel 2 van de K-vleugel bevond, getuigt dat men pas zeven minuten, nadat de persoon uit de cel was gehaald waar de brand waarschijnlijk begon, een aanvang maakte met het openen van de celdeuren vanaf 1 en 2. 16.4. Volgens getuige Fatoda, die zich in cel 25 bevond, duurde het twintig minuten voordat zijn celdeur openging. 16.5. Een Surinaamse getuige, waarvan onduidelijkm is op welke vleugel zij zat, verhaalde:
"Meer dan een half uur heb ik op de deur geklopt en niemand deed open. Niemand kwam kijken wat er met ons gebeurde. Het was wreed."
16.6 Van een van de gedetineerden, de Oekrainer Taras Bilyk, wordt in de Volkskrant van 5 november 2005 verhaald dat hij in cel 4 van de K-vluegel zat en dat, toen zijn deur werd opengemaakt, hij sleutels van de grond graaide en naar een andere cel rende, waarin zijn vriendin zich bevond. Beiden kwamen om. 16.7. Ook in de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 wordt op dit punt een getuige aan het woord gelaten:
"De Afghaan Fazl Ahmed Babakarkhyn, uit cel 24: 'De cel van Taras uit de Oekraïne lag tegenover mij. Ik hoorde hem roepen in het Russisch: Alsjeblieft, help mij, help mij. Ik werd bang van zijn geschreeuw, ik heb die stem nog in mijn hoofd. Ik hoorde mensen rennen op de gang. Ik wilde het raam kapot maken, schopte tegen de muren. Toen ging de celdeur open. Ik heb Taras nog in een glimp gezien. Hij wilde een vriendin uit de Oekraïne redden, maar ze hebben het geen van beiden gered.'"
16.8. Ook andere getuigen maken melding van sleutels die op de grond lagen. Getuige Mustafa Bouhktari, van Marokkaanse afkomst, verhaalde hoe hij aanvankelijk werd gered door een Algerijn, die zijn celdeur openmaakte. Hij maakt ook melding van marechaussees die met gasmaskers op op het toneel verschenen. Dan verhaalt hij:
"Toen de bewakers weg waren, hebben de gevangenen zelf deuren open gemaakt. Er lagen sleutels op de grond. Ik heb celsleutels opgeraapt en aan de marechausssee gegeven."
16.9. In die fase waren inmiddels ook marechaussees begonnen met het openen van de cellen.
16.10. Ook volgens de reconstructie van de Volksrant van 5 november 2005 werkten zo uiteindelijk toch een paar al bevrijde gevangen aan het openen van de cellen van hun mede-gevangen mee. Daarbij gaat het dan kennelijk ook om andere vleugels dan de K-vleugel. 16.11. Op 30 oktober 2005 berichtte de Telegraaf dat de Europese Organisatie ter bescherming van de rechtspositie van Gedetineerden (EORG), waarbij ruim vijftig gedetineerdencommissies zijn aangesloten, inmiddels tot een vernietigend oordeel was gekomen:
"Woordvoerder P. Vleeming stelt donderdag met drie gedetineerden te hebben gesproken, en trekt daaruit harde conclusies. Zo gingen volgens hem de medewerkers in de gevangenis onzorgvuldig te werk en ondernamen te laat actie. Hij stelt verder dat er in het complex een personeelstekort was en dat medewerkers niet op de hoogte waren van de procedures bij 'brandhulpverlening'.
De Telegraaf van van 27 oktober 2005 meldt dan op dit punt tot slot nog:
"De Europese Organisatie ter bescherming van de rechtspositie van Gedetineerden (EORG) zegt dat de gedetineerden in het cellencomplex op Schiphol tijdens de brand als ratten in de val zaten." 17. Moedig optreden van een enkel personeelslid van Securicor
17.1. Volgens gelijkluidende verklaringen van getuigen is het vooral aan het moedig optreden van een vrouwelijk personeelslid van Securicor te danken geweest dat nog een aantal mensen in het brandende deel van het complex gered konden worden. Met gevaar voor eigen leven wist zij, toen het openen van de cellen op de brandende vleugel eenmaal was begonnen, nog een aantal cellen in het brandende gedeelte van het complex te ontsluiten, en raakte daarbij zelf gewond, 'maar verder dan cel 15 kwam zij niet'.
18. Arrestatie van een vreselijk verbrand en zwaar gewond mens om de schuldvraag af te leiden
18.1. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt nog een nadere getuigenis van de Algerijn Mohamed Tahir aan de orde:
"Mohamed Tahir ziet in de hoek van de gang iemand liggen. Hij rent er op af en buigt zich erover. Een Surinamer, denkt Tahir. 'Hij was half bloot, zijn hele rug verbrand. Samen met de Afghaan uit cel 8 heb ik hem vastgepakt en weggesleept. Vier, vijf meter. Daarna hebben bewakers het overgenomen.' Eenmaal buiten ziet Tahir dat de man helemaal geen Surinamer is, maar een Noord-Afrikaan die zwart geblakerd is door het vuur en de rook. Het blijkt een 25-jarige Libiër uit cel 11. Per ambulance wordt hij afgevoerd naar het ziekenhuis."
18.2. Enkele dagen na de catastrofale brand vond minister Donner van Justitie het blijkbaar noodzakelijk om deze zwaargewonde man in het ziekenhuis officiëel onder arrest te laten stellen. Dit in een kennelijke poging om de aandacht van hemzelf en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk af te leiden.
18.3. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 reageert de getuige Tahir hierop als volgt:
"Anderhalve week na de brand reageert Mohammed Tahir ongelovig op het bericht dat de 25-jarige Libiër uit cel 11 door justitie verdacht wordt van brandstichting in zijn cel. 'Hij zonderde zich af. Niemand kende hem goed. Hij was er ook nog niet zo lang. Hooguit een dag of twee, drie. Ik heb hem één keer gesproken. Toen maakte hij een opgewekte indruk. Niets bijzonders eigenlijk."
19. Het tot uitdrukking brengen van tevredenheid over het optreden van het personeel als impiciete boodschap dat illegalen niet met voor normale mensen geldende maatstaven beoordeeld dienen te worden
19.1. Ondanks de hierboven uitvoerig weergegeven voor het merendeel afschuwelijke, mensonterende en structureel tekort schietende bejegening door het personeel - een incidentele heroische uitzondering daargelaten -, werd onmiddellijk na de brand door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk verklaard dat het personeel 'correct' en 'adequaat' was opgetreden.
19.2. De voortdurende impliciete boodschap van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk dat illegale vreemdelingen een minderwaardige categorie vormen, waarvoor menselijk medegevoel en mededogen misplaatst is en die, zelfs nog onder meest verschrikkelijke omstandigheden, van een menselijke en menswaardige bejegening uitgesloten dient te blijven, vond daarmee een nieuwe uitdrukkingsvorm.
19.3. De impliciete boodschap, die door minister van Justitie Donner en door minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk wordt gepropageerd, dat het hier slechts om mensen van een mindere categorie gaat, die beter kunnen verbranden dan ontsnappen, wordt door minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk bijna tastbaar gearticuleerd op het moment dat zij, bij de bekendmaking op de dag van de brand dat 11 onschuldige mensen een vreselijke dood in haar gruwelcomplex zijn gestorven, letterlijk stelt: "Er zijn elf illegalen overleden."
Op dat moment is zij zelfs nog niet in staat om het feit dat het hier om elf mensen gaat voorbij de barrière der tanden te brengen.
19.4. Zij getuigt van deze - impliciete - boodschap dat het hier slechts om mensen van een mindere categorie zou gaan ook nog eens, wanneer zij op 2 november 2005 publiekelijk verklaart dat mensen - bedoeld wordt hier het personeel van het complex - wel getraumatiseerd zullen zijn geraakt door dat gebonk en geschreeuw van al die 'illegalen' in doodsnood. In de Volkskrant van 2 november 2005 werd hier als volgt verslag van gedaan:
'Verdonk vroeg begrip voor de cipiers, die in de rook hadden gestaan en gebonk en geschreeuw hebben gehoord. "De medewerkers zijn ook getraumatiseerd".'
20. Opzet bij dood door schuld en medeplichtigheid aan zwaar lichamelijk letsel van minister van Justitie Donner en minister van Vreemdelingenzaken Verdonk bewezen door hun vervolghandeling van het hernieuwd insluiten van de overlevenden in brandgevaarlijke detentie-complexen
20.1. Door opzettelijk op cruciale punten in gebreke te blijven de aanbevelingen van het NIBRA en de commissie-Siepel op te volgen, maakten minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zich willens en wetens schuldig aan dood door schuld, en dit dan ook nog opzettelijk .
20.2. Dàt hier duidelijk sprake is van opzettelijke grove nalatigheid, leidende tot dood door schuld, vindt zijn definitieve bewijs in het feit dat de overlevenden van de brand in het complex op Schiphol-Oost door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk onmiddellijk zijn gedeporteerd naar andere complexen voor vreemdelingenopsluiting, die vanuit een oogpunt van brandpreventie, bouwtechnisch evenzeer volstrekt onveilig zijn, zodat zij daarmee de getraumatiseerde overlevenden opzettelijk dwingen om, opnieuw, in een brandgevaarlijke omgeving te verblijven.
20.3. Daarmee drijven minister van Justitie Donner en minister van Vreemdelingenbelid Verdonk het zover dat zij zich, behalve aan dood door schuld jegens de slachtoffers van het hellevuur in het complex, ook nog schuldig maken aan voorwaardelijke opzet inzake poging tot doodslag jegens de overlevenden, nu zij, door de overlevenden te dwingen tot verblijf in andere complexen die, vanuit een oogpunt van brandwerende voorzieningen eveneens onveilig zijn, willens en wetens opnieuw een imminent levensgevaar voor deze betrokken creëren.
20.4. Niet genoeg kan worden benadrukt dat minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de dodelijke slachtoffers, die als gevolg van de verschrikkingen in het complex Schiphol zijn gevallen.
Als in een gewoon huis ouders hun kinderen in een kamer zouden opsluiten en bij brand zouden verzuimen hen tijdig te bevrijden, dan zouden die ouders opgepakt worden onder de beschuldiging van dood door schuld. Als in een verpleegtehuis bij een brand elf patiënten zouden omkomen, zouden bestuur en directie van dat huis aansprakelijk worden gesteld. Maar de directeur van het uitzetcentrum krijgt, nog op de dag van de fatale brand, bezoek van minister Donner en minister Verdonk, die hem een schouderklopje komen uitdelen, en een brevet van verdienste komen uitreiken.
20.5. Niet genoeg kan voorts worden benadrukt dat minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk niet alleen verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor de doden die in hun gruwelcomplex zijn gevallen, maar ook voor degenen die deze verschrikkingen hebben overleefd, en als gevolg hiervan zwaar getraumatiseerd zijn geraakt.
20.6. Het gaat hierbij in een aantal gevallen ook nog om mensen die toch al verschrikkelijke persoonlijke ervaringen hadden doorgemaakt, en mitsdien dus al getraumatiseerd waren, en die bovendien vaak reeds jaren aan zware stress onderhevig zijn, zodat zij behoorden tot de meest kwetsbare personen, vaak al onderhevig aan ernstig psychisch lijden.
20.7. Deze mensen zijn, voor zover zij de ramp hebben overleefd, opnieuw nog verder getraumatiseerd geraakt als gevolg van de verschrikkingen die zij hebben ondergaan.
21. Ontmenselijking van illegalen getoonzet door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken verdonk
21.1. De ontmenselijking van deze mensen, waarvoor door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken opzettelijk mede de toon wordt gezet, is bepalend voor de wijze waarop de werknemers van het ministerie van Justitie en op het ministerie van Vreemdelingenbeleid hun taak opvatten.
21.2. Door een dergelijk beleid en het stellen van dit voorbeeld dragen de minister van Justitie Donner en de minister voor Vreemdelingenzaken opzettelijk bij aan een opvatting die al bij velen van het personeel van genoemde ministeries heeft postgevat. Een mening, houding en gedrag die ertoe leiden dat men meent dat jegens deze door beide ministers, in de bejegeningspraktijk als 'tweederangs burgers' geclassificeerde mensen, alles geoorloofd is om ze zo snel mogelijk uit ons land te verwijderen.
WREDE EN ONMENSELIJKE BEHANDELING VAN DE ZIJDE VAN MINISTER VAN JUSTITIE DONNER EN MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN VERDONK JEGENS DE SLACHTOFFERS EN OVERLEVENDEN NA DE RAMP
22. Opzettelijk werd cellen van de slachtoffers van de ramp in de rampnacht langer gesloten gehouden om ontsnappingen te voorkomen; een recapitulatie
22.1. Opzettelijk werden, in de nacht van de catastrofale brand, in een extreem beangstigende en bedreigende situatie, cellen van overlevenden aanvankelijk gesloten gehouden, met als argument dat voorkomen moest worden dat er mensen zouden ontsnappen.
22.2. Cellen kwamen daarbij onder de rook te staan, en wel zodanig dat toen uiteindelijk de bewakers en de marechaussee die cellen wél opende, een aantal van deze functionarissen onwel werd door de rook en in het ziekenhuis moest worden opgenomen.
23. Opzettelijk werden slachtoffers van de ramp in de rampnacht geboeid en onder schot gehouden om ontsnappingen te voorkomen; een recapitulatie
23.1. Met hetzelfde argument, dat ontsnapping voorkomen, moest worden, werden mensen, nadat hun cellen uiteindelijk wél waren geopend, in een aantal gevallen aan elkaar geboeid, met vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden.
24. Opzettelijk werden de paar overlevenden die in de rampnacht in paniek ontkwamen voorgesteld als gevaarlijke criminelen op wie een klopjacht werd ingesteld; een recapitulatie
24.1. Voor zover enkele van de overlevenden zijn onsnapt, worden zij voorgesteld als bijzonder gevaarlijke personen, waarop een klopjacht moest worden gehouden, en waarbij zelfs een helikopter moest worden ingezet.
24.2. Geheel voorbij gegaan wordt daarbij aan het feit dat illegaliteit geen strafbaar feit vormt, en dat voor actief opsporen van illegalen elke wettelijke grond ontbreekt. Wanneer illegalen ontsnappen, anders dan door gebruik van geweld, is er derhalve geen enkele rechtsgrond om ze op te sporen.
25. Wreed en onmenselijk optreden jegens getraumatiseerde slachtoffers van de ramp - impliciete en kille dreiging dat herhaling niet is uitgesloten en dat ook niet alles in het werk zal worden gesteld om herhaling te voorkomen
25.1. Ook overigens blijkt nergens uit dat jegens de als gevolg van hun verschrikkelijke ervaringen bij de brand nog eens extra getraumatiseerde overlevenden van deze ramp, die door minister Donner en minister Verdonk al op een ontmenselijkende manier werden bejegend, na de catastrofale ramp een beleid zal worden gevoerd van enigerlei consideratie, noch dat alles in het werk zal worden gesteld om herhaling te voorkomen.
25.2. Bij de strak geregisseerde officiële 'herdenking' van 8 november 2005 - de herdenking waarbij de overlevenden werden buitengesloten - stelt minister Donner, aldus de Volkskrant van 9 november 2005:
"Wetten moeten worden gehandhaafd: zonodig ook door bewaring. Maar dit is niet de prijs die ons als samenleving daarbij voor ogen staat ."
Deze bewoordingen houden de kille suggestie in dat het wellicht wél de prijs zou kunnen zijn, die 'ons', 'als samenleving', voor ogen zou staan. En dat het dus nodig is dat minister Donner, als moreel baken, daarvan nog eens uitdrukkelijk afstand neemt.
25.3. Dat het hier geen verspreking betreft, blijkt uit het feit dat minister Donner nog eens herhaalde: "Dit heeft niemand ooit gewild."
Zo'n uitspraak heeft alleen maar zin en betekenis als inderdaad niet al bij voorbaat boven alle twijfel verheven zou zijn dat niemand dit ooit heeft gewild.
25.4. Door in deze termen te praten, in plaats van in termen van compassie met de slachtoffers en hun nabestaanden, en door volledig na te laten de hand ook maar op een enkel vlak in eigen boezem te steken, wordt door minister Donner een koude dreiging opgeroepen dat van de hem en minister Verdonk ook geen enkele stap te verwachten is om herhaling te voorkomen.
25.5. Integendeel, minister Donner en Minister Verdonk hebben al lang voordat deze 'herdenking' van de slachtoffers, waarbij voor de overlevenden geen plaats is, een feit is, het scenario geschapen waarin een dergelijke ramp zich moeiteloos zal kunnen herhalen, en wel door de overlevenden voor een groot deel over te brengen naar andere detentiecomplexen voor vreemdelingenbewaring, die even brandgevaarlijk zijn, en ze daar, nog dichter opeengepakt, op te sluiten.
25.6 Overigens doet het gedrag van minister Donner, die op de herdenking waar de slachtoffers niet welkom waren roept dat 'niemand dit ooit gewild heeft' en dat 'dit niet de prijs is die ons als samenleving voor ogen staat', denken aan een automobilist die met 200 km per uur door een woonwijk heeft gejakkerd en op de herdenking van de daarbij doodgereden kinderen roept dat 'niemand dit ooit gewild heeft'.
Het enige verschil is dat van de automobilist verwacht wordt dat hij dit niet meteen nog een tweede keer doet - en daarvoor trouwens ook niet de kans zal krijgen -, terwijl minister Donner direct weer opnieuw voor de illegalen die in zijn detentie-macht zijn levensgevaar creëert, en daarvoor van een moreel failliete parlementaire meerderheid ook terstond alle ruimte krijgt.
26. Het optreden van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk jegens de slachtoffers en overlevenden na de ramp: voortzetting van een wrede en onmenselijke behandeling
26.1. Ook het verdere optreden van minister van Justitie Donner en van minister van Vreemdelingenzaken Verdonk tegenover de slachtoffers en overlevenden van de ramp kan, op onderdelen zowel als in zijn gezamenlijkheid, slechts worden gekwalificeerd als ' een wrede en onmenselijke behandeling ' in de zin van artikel 16 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag - AFV) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR):
27. Verdere opsluiting van de slachtoffers en overlevenden van de ramp onder detentie-omstandigheden die niet voldoen aan de internationale maatstaven
27.1. Opzettelijk werden - en worden - der slachtoffers van de ramp, evenals andere mensen die als illegaal worden aangemerkt en die zich aan geen enkele strafbaar feit hebben schuldig gemaakt, opgesloten gehouden onder detentie-omstandigheden die niet voldoen aan de daaraan naar internationale maatstaven te stellen eisen, zoals deze zijn neergelegd in de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners, alsmede in de Body of Principles for the Protection of All Persons Under Any Form of Detention or Imprisonment, zoals dit is vastgesteld bij resolutie 43/173 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1988.
27.2. Amnesty International refereerde aan bepaalde aspecten van deze niet met internationale standaards overeenstemmende detentie-omstandigheden, toen de organisatie, in diens Public Statement van 8 november 200, EUR 35/001/2005, naar aanleiding van de ramp stelde:
"Amnesty International is concerned about reports that have emerged that indicate that the rejected asylum seekers who were held in the Schiphol airport detention centre were detained in the same area as persons convicted of criminal offences. The organization further expresses concerns regarding the fact that men and woman were held in the same area and not in separate part of the premises."
28. Onderwerping aan onbegrensde vrijheidsontneming, behoudens door derden geinitiëerd rechterlijk ingrijpen 28.1. De facto en de iure stellen noch de minister Donner en minister Verdonk, noch de wet aan een dergelijke opsluiting van de slachtoffers van de ramp, alsmede andere illegalen een limiet.
De enige begrenzing is dan ook een rechterlijk ingrijpen om de detentie te beëindigen. De rechter is echter lijdelijk.
28.2. Een rechterlijke begrenzing aan de detentie vooronderstelt dan ook een aktie via een rechtshulpverlener. Bljft een dergelijke aktie van een rechtshulpverlener uit, of ontbreekt een dergelijke rechtshulpverlener om wat voor reden dan ook, dan vervalt iedere begrenzing aan de opsluiting. 29. Onderwerping aan discriminatoire detentie-omstandigheden
29.1. Opzettelijk werden - en worden - mensen die als ilegaal worden aangemerkt daarbij onderworpen aan detentie-omstandigheden, welke dan voorts ook nog eens discriminatoir zijn jegens hen, in die zin dat de voor hen geldende detentie-omstandigheden, globaal genomen en feitelijk bezien, aanzienlijk slechter zijn dan de detentie-condities waaraan verdachten van crimineel handelen worden onderworpen.
30. Ontzegging van alle middelen van bestaan in strijd met de fundamentele mensenrechten bij ontslag uit detentie
30.1. Doelgericht worden, indien de betrokkenen vervolgens, binnen de Nederlandse contekst, uit detentie worden ontslagen, hen voorts, al dan niet opnieuw, alle middelen van bestaan ontzegd en worden zij, al dan niet opnieuw, van alle mogelijkheden om hier te lande zelfstandig te overleven beroofd, waarbij minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk opzettelijk hun fundamentele mensenrechten naar de vuilnisbak verwijzen.
31. Opzettelijke voortzetting van de detentie van de slachtoffers ondanks de extra psychische kwelling die dit betekent
31.1. Willens en wetens werd de detentie van deze overlevenden van de ramp voortgezet, hoewel ieder redelijk denkend mens onmiddellijk zal beseffen dat deze overlevenden door de ramp onontkoombaar psychische schade zullen hebben opgelopen.
31.2. In diens public statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005, bracht Amnesty International de onaanvaardbaarheid hiervan tot uitdrukking:
"Amnesty International is worried by reports that the survivors of the fire have been relocated, but are still being held in detention facilities."
31.3. Ook Amnesty International drong dan ook aan op beindiging van hun detentie:
"Amnesty International calls on the Dutch authorities to terminate the detention of the irregular immigrants among the survivors and offer all survivors alternative accomodation."
32. Alles gericht op een snelle verwijdering van de getraumatiseerde slachtoffers uit Nederland - de malicieuze oogmerken hiervoor
32.1. Twee dagen na de officiële 'herdenking' waarbij voor de overlevende slachtoffers geen plaats is, kondigt minister Verdonk aan dat het uitzetten van de overlevenden zal worden hervat.
32.2. Amnesty International stelde in dit verband in diens Public Statement van 11 november 2005, EUR 35/002/2005, onder de titel: "The Netherlands: No expulsions until investigations haven been concluded":
"Amnesty International is deeply concerned about the announced expulsions of the survivors of the Schiphol Airport fire on 27 October 2005 . Amnesty International calls for the survivors of the fire not to be expelled until a thorough investigation into the causes of the fire has been concluded."
En:
"On 10 November 2005 during an emergency parliamentary debate, Rita Verdonk, Minister for Immigration and Integration Affairs, announced that she would soon initiate expulsions of survivors of the fire who are still kept in detention. Minister Verdonk said the survivors 'were no longer necessary for the technical investigation' carried out by the Technical Research Team (TRT) into the cause of the fire. On 1 November 2005 , Minister Verdonk promised members of Parliament (MPs) the survivors would not be expelled 'awaiting the outcome of the investigation of the TRT'. The results of the investigation have, however, still not been finalized.
Following Minister Verdonk's announcement, several MPs reminded her of her promise not to expel the survivors pending the outcome of the final report. Minister Verdonk explained she never intended not to expel the survivors until the report was finalized, and her decision to expel the survivors was supported by the majority of the MPs. In direct contradiction, the Dutch Parliament had adopted a motion stipulating that prior to expelling any survivors, a thorough independent medical and psyciatric evaluation should take place. It also urged the government to find guarantees for an adequate treatment in the countries of origin.
Amnesty International maintains that despite the motion adopted, the announced expulsions should not be carried out before the end of investigations and publications of its results."
32.3. Het is onwaarschijnlijk dat de aankondiging van minister Verdonk om in principe de uitzettingen van de slachtoffers van de brand te hervatten louter werd ingegeven door de persistente visie op illegale vreemdelingen als mensen van een verwerpelijk slag, die zo snel mogelijk uit het land verwijderd moeten worden. Aannemelijk is dat daarbij ook andere overwegingen een rol speelden.
33. De opzet om de overlevenden in detentie te kunnen houden als drijfveer om aan te kondigen dat de uitzettingen worden voortgezet
33.1. Een eerste overweging daarbij, zo valt aan te nemen, is dat, als officieel zou worden afgekondigd dat de uitzettingen vooralsnog zouden worden opgeschort, daarmee ook de grondslag aan verdere detentie van de betrokkenen zou ontvallen.
Het staat echter vast dat de ministers Donner en Verdonk de detentie van de slachtoffers onverkort wilden voortzetten. Maar dan stonden zij ook voor de noodzaak om aan te kondigen dat de uitzettingen zouden worden hervat.
33.2. Dat een dergelijke vrijlating inderdaad de dwingende uitkomst zou zijn van een officiële afkondiging van een opschorting van de uitzetting, wordt ook door Amnesty International onderstreept in diens Public Statement van 11 November 2005:
"On 8 November 2005 , Amnesty International called on the Dutch government to release all irregular migrants who survived the fire and did not have a criminal background as, by suspending the expulsions of the migrants, there was no longer a legal ground for detaining them. A recent verdict of the District Court of Amsterdam on 9 November expressed a similar position."
33.3. En in de verklaring van Amnesty International van 21 november 2005, onder de titel "Laat vluchtelingen tot hun recht komen", wordt in dit verband verder nog gesteld:
"Amnesty International heeft in een tweetal public statements vanuit het Internationale Secretariaat in Londen haar zorg uitgesproken over de voortdurende detentie van de overlevenden van de brand. Met de aankondiging van de opschorting van de uitzetting in afwachting van het onderzoek van de technische recherche, is de juridische grond voor het nog langer detineren van deze mensen ('zich op uitzetting') naar de mening van de organisatie vervallen." 34. De opzet om schadeclaims de pas af ter snijden door de slachtoffers zo snel mogelijk af te voeren 34.1. Maar er is naar alle waarschijnlijk ook nog een andere reden waarom minister Verdonk weigerde de uitzetting op te schorten tot de uitslag van onderzoeken bekend zou zijn. En dat is de vrees voor schadeclaims van de overlevenden en de nabestaanden van de omgekomen slachtofffers.
Hier geldt immers dat hoe eerder de overlevende van de ramp zijn afgevoerd, hoe kleiner de kans dat van hen nog schadeclaims te verwachten zijn.
34.2. Terwijl voorts ook geldt dat dergelijke schadeclaims vanuit het buitenland, voor de arme categorie mensen waartoe overlevenden van de ramp behoren, veel minder gemakkelijk te entameren, laat staan te effectuëren, zullen zijn. 34.3. In diens Public Statement van 11 November 2005 neemt Amnesty International al, bij wijze van spreken, een voorschot op dergelijke eventuele schadeclaims, als de organisatie stelt dat het onderzoek dat naar de ramp wordt uitgevoerd er ook toe moet strekken om getuigenissen van overlevenden vast te leggen, met name ook met het oog op eventuele latere schadeclaims:
"Amnesty further believes that the ongoing investigations should include witness statements of the survivors of the fire as this could help survivors te receive compensation."
34.4. Voor de minister Donner en Verdonk is de beste manier van preventie van dit soort schadeclaims het zo snel mogelijk effectueren van uitzetting van de slachtoffers. Hier geldt immers: hoe eerder de overlevenden het land uitgewerkt zijn, hoe kleiner de kans dat hun getuigenissen zorgvuldig kunnen worden gedocumenteerd, en dus hoe kleiner de kans wordt op deugdelijk onderbouwde schadeclaims van hun kant.
35. De opzet om de Kamer-motie omtrent een grondig medisch en psychiatrisch onderzoek onder de slachtoffers te ontkrachten
35.1. En nog een andere reden om de uitzettingen zo snel mogelijk te hervatten, werd de ministers Donner en Verdonk naar het zich laat aanzien ingegeven door hun wens om zich zoveel mogelijk te onttrekken aan de motie van de Tweede Kamer, waarop Amnesty International in diens Public Statement van 11 november 2005 de vinger legt:
"... the Dutch Parliament had adopted a motion stipulating that prior to expelling any survivors, a thorough independent medical and psychiatric evaluation should take place."
Tegenover mensen die het land zijn uitgezet, is zo'n 'thorough independent medical and psyciatric evaluation' immers niet meer nodig. 35.2. En bovendien spaart dit een hoop geld uit aan kostbare behandelingen.
35.3. Dát van een passende medische en psychiatrische evaluatie, opvang en behandeling van de slachtoffers, vanaf het eerste begin, geen sprake is ge- weest, wordt verderop in deze aangifte uitgebreid behandeld.
36. de opzet om verdere onrust over de brand en de slachtoffers zo snel mogelijk zoveel mogelijk de kop in te drukken 36.1. En tenslotte wordt uitzetting kennelijk gezien als een remedie om verdere onrust zo snel mogelijk uit te bannen.
36.2. Althans datgene wat de ministers Donner en Verdonk als 'verdere onrust' wensen te beschouwen, maar wat met name ook door Amnesty International, in diens verklaring van 21 november 2005, als een gerechtvaardigd opkomen voor belangen wordt beoordeeld:
"De organisatie is van mening dat de aanwezigheid van overlevenden ook voor andere onderzoeken van belang kan zijn. Het komt voor dat uit onderzoeksresultaten nieuwe vragen naar boven komen die slechts door de overlevenden beantwoord kunnen worden. Bovendien kunnen ook de overlevenden zelf belang hebben bij het kennis nemen van de resultaten van het onderzoek."
36.3. Een zo spoedig mogelijke verwijdering uit Nederland is ongetwijfeld de beste methode om de overlevenden ook op dit punt bij voorbaat de pas af te snijden.
37. Voortgezette detentie van de overlevenden in detentie-centra die eveneens brandgevaarlijk zijn - overlevenden terug gedeporteerd naar Schiphol-Oost waar de geur van verbrand mensenvlees nog hangt
37.1. Als plekken waarnaar overlevenden zijn gedeporteerd, kwamen, in de dagen na de ramp, voor de buitenwacht geleidelijk in beeld het Kamp Zeist, het UC Zestienhoven en de Rotterdamse detentieboten, veelal cellencomplexen die, qua constructie, en daarmee qua brandgevaar, vrijwel identiek zijn aan het complex dat op Schiphol-Oost afbrandde. Andere overlevenden werden gewoon weer op Schiphol-Oost ingesloten, met name de zgn. 'bolletjesslikkers'. 37.2. Ook de Volkskrant van 5 november 2005 vermeldt dat het gruwelcomplex Schiphol-Oost alweer deels in bedrijf is. "Het complex is omheind met een nieuwe ring hekken en roodwitte politielinten" en "binnen spelen bewaarders spelletjes om de tijd door te komen."
De Volkskrant vervolgt dan:
"..aan de andere kant van het complex gaapt een gat. Een rotte, zwarte kies: vleugel K. Het ruikt er, onder wind, naar verbrand mensenvlees."
Latere berichten maken er melding van dat op Schiphol-Oost alleen nog bolletjesslikkers zouden zijn gedetineerd, maar dit zou, indien juist, aan de afschuwelijkheid en wreedheid van deze herplaatsing niet afdoen.
37.3. Dit alles betekent dat mensen worden gedwongen opnieuw opgesloten te leven in cellencomplexen, waarin zij opnieuw aan het risico worden blootgesteld om levend te verbranden, met alle traumatische angsten van dien.
38. Overplaatsing naar slechtere detentie-condities in nog overvollere complexen - angst voor hernieuwde brand bij de geshockte en getraumatiseerde overlevenden
38.1. Als vee worden overlevenden, zwaar geschokt en soms ook getraumatiseerd, in een aantal gevallen samengepakt in overvolle vervangende detentiecentra voor vreemdelingen, dikwijls met nog meer personen op één cel dan normaal al het geval was.
38.2. Zo steeg door overplaatsingen van overlevenden van de ramp op Schiphol naar de reeds overvolle detentieboten in Rotterdam het aantal gedetineerden daar, onmiddellijk na de brand, van 720 mensen naar 854.
SP-fractievoorzitter Cornelissen, die eerder dit jaar met de Commissie Bestuur en Veiligheid van de Rotterdamse gemeenteraad de detentieboten bezocht, stelde, aldus de Volkskrant van 2 november 2005:
"'Mocht Schiphol zich onverhoopt hier herhalen, dan zitten die mensen als ratten in de val'".
38.3. In de zaak van het Chinese overlevende A. van de Schipholbrand, Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam) van 8 november 2005, reg. nr. AWB 05/47342, werd omtrent eiser onder meer aangevoerd:
"Eiser bevond zich in 'cellenblok J', dat was gelegen naast 'cellenblok K', alwaar de brand heeft gewoed. Eiser heeft die nacht last van rookontwikkeling in zijn cel gehad. Vervolgens is eiser overgeplaatst naar de detentieboot "Reno" te Rotterdam. Het verblijf aldaar is beangstigend voor eiser gelet op hetgeen hij heeft meegemaakt in het Detentiecentrum en eiser is bang dat op de detentieboot eveneens brand uitbreekt."
38.4. In de avonduren van 8 november brak er op de detentieboot in Rotterdam inderdaad opnieuw brand uit, tot de onuitsprekelijke angst van de opgeslotenen.
38.5. De Volkskrant van 11 november 2005 hierover, die op dit punt ook getuige en overlevende Massoed Ban Bersa aan het woord laat:
"Zijn laatste nacht maakte hij weer een brand mee. Ditmaal een kleine, die snel was geblust. 'Ik hoorde geschreeuw, raakte in paniek. Drie kwartier later kwam een bewaarder die zei dat er niets aan de hand was. Maar dat geloof ik niet meer. Die nacht in Schiphol zeiden ze ook dat er niets aan de hand was'."
38.6. In de zaak van de Tanzaniaanse overlevende van de Schipholbrand A., waarin door de Rechtbank Den Haag (zp. Amsterdam) op 8 november 2005, onder reg. nr. AWB 05/47715 vonnis werd gewezen, wordt op dit punt overwogen:
"Eiser heeft tijdens de brand in grote angst verkeerd, aangezien hij gedurende de brand opgesloten heeft gezeten in een 1-persoonscel. Tijdens de brand ontstond er grote paniek en heeft eiser in zijn cel veel geschreeuw en gegil waargenomen. Tevens was binnen zijn cel waarneembaar een geur van brandend vlees en werd het warm in zijn cel. De doodsangst waarin eiser heeft verkeerd maakt dat hij zich ook niet veilig voelt in het DTC Zeist, waar eiser thans verblijft. Het is de vraag of hier aan de veiligheidsvoorschriften wordt voldaan."
Vervolgens beveelt de rechtbank overplaatsing naar een ander detentiekamp, "niet zijnde de Detentieboot Reno te Rotterdam".
38.7. Op maandag 14 november brak in Kamp Zeist inderdaad brand uit. Deze kon, evenals op de brand op de detentieboot 'Reno', snel worden geblust. 38.8. Tekenend voor hoe er, na de ramp, op een volstrekt onmenselijke manier met zwaar getraumatiseerde mensen werd gesold, is het volgende bericht van de Leeuwarder Courant van 5 november 2005:
" Sevenum (GPD) - Een vrouw die de cellenbrand op Schiphol overleefde heeft het drama herbeleefd toen ze werd overgeplaatst naar de open vrouwengevangenis Ter Peel in het Limburgse Sevenum. De getraumatiseerde vrouw belandde daar midden in een oefening van de brandweer. Een woordvoerster van het ministerie van justitie noemt het een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De brandoefening was reeds lang van tevoren gepland. 'Het moet voor die vrouw afschuwelijk zijn geweest, te meer omdat ze niet wist dat het om een oefening ging', aldus de woordvoerster. De vrouw zou op Schiphol-Oost een cel hebben gedeeld met een vrouw die bij de brand om het leven kwam."
38.9. Halverwege de maand November 2005 blijkt uit berichten dat een deel van de overlevenden naar het detentiecentrum Loyd's Hotel in Amsterdam wordt overgebracht. Ook hier is sprake van een overvolle situatie. Op 1 december 2005 wordt bekend dat deze detentieinrichting is afgestemd op 66 plaatsen, doch dat daar op dat moment dan 95 mensen zijn ingesloten, en dat minister van Justitie Donner zich op het standpunt stelt dat een verdere uitgroei tot 135 als acceptabel valt te beschouwen.
39. Overplaatsing naar strafcellen van psychisch aangetaste en getraumatiseerde overlevenden
39.1. Groen Links-Kamerlid Vos weet, in de Volkskrant van 2 november 2005, te melden dat in een aantal gevallen zelfs overlevenen, onmiddellijk na de overplaatsing de dag na de ramp, in isoleercellen worden gezet. Zij stelt, aldus de Volkskrant van 2 november 2005: 'Dat vind ik bizar'.
39.2. Minister Verdonk antwoordt hierop, aldus het Reformatorisch Dagblad van 2 november 2005, dat 4 overlevenden in een isoleercel zijn gezet 'om gezondheidsredenen'. En dat dit zou zijn gebeurd 'op advies van een arts en een psychiater'.
39.3. Zo'n opmerking is het toppunt van cynisme in het licht van de dringende behoefte aan behandeling en begeleiding van getraumatiseerden die een dergelijke ramp overleefd hebben. Er is ook geen enkel psychiatrisch handboek dat bij preventie en behandeling van post traumatic stress disorder opsluiting in een isoleercel aanbeveelt. 39.4. Minister Donner ontkende, op 10 november 2005, in de Tweede Kamer dat overlevenden in isoleercellen zouden zijn gezet. Ze zouden in 'observatiecellen' geplaatst zijn. Hij vertelde er niet bij dat dit dus precies dezelfde cellen betreft.
39.5 In de Volkskrant van 12 november 2005 deed het ChristenUnie-Kamerlid Huizinga verslag van een bezoek aan Kamp Zeist, en vermeldde dat een Nigeriaanse overlevende in Zeist vijf dagen in een dergelijke cel, door haar betiteld als 'een isoleercel', opgesloten was geweest. 'Hij moest slapen op een vieze matras met een vies kussen', aldus Huizinga.
39.6. Het Kamerlid voegde daar aan toe, aldus de Volkskrant van 12 november 2005: 'Hij valt nu nog steeds onder een veel strengere behandeling dan op Schiphol'. Hier wordt dus een wrede en onmenselijke behandeling van deze overlevende ten top gedreven.
40. Geen sprake van een uitzonderingspositie voor wat betreft het regime van detentie-kampen waarnaar de overlevenden zijn gedeporteerd
40.1. Uit de Volksrant van 29 oktober 2005 wordt voorts eveneens duidelijk dat de overlevenden op de plekken waar zij naartoe werden gedeporteerd, op geen enkele manier een uitzonderingspositie krijgen en onder het 'normale regime' vallen. Zij worden, kortom, volledig als 'normale gevangen' behandeld.
40.2. 'Op clementie vanwege de traumatische ervaring in het afgebrande cellenblok hoeven zij niet te rekenen', aldus wederom de Volkskrant van 29 oktober 2005, die daar, als uitspraak van de voorlichter van Justitie, Hans Jansens, nog aan toevoegt: 'Ik heb geen aanwijzingen dat daarover wordt gesproken.'
41. Onthouding van systematische en gestructureerde nazorg en psychische hulpverlening aan de slachtoffers
41.1. De overlevenden wordt voorts ook iedere systematisch geplande en gestructureerde vorm van nazorg, alsmede van psychische hulpverlening, onthouden.
Ook als er sprake zou zijn geweest van een te goeder trouw nakomen van de zogenaamde 'nazorg-maatregelen', die minister Donner en minister Verdonk bij brief van 1 november 2005 aan de Tweede Kamer presenteerden, zou daarmee van een zodanige systemtische en adequate zorg voor de slachtoffers geen sprake zijn.
41.2. Zoals echter hierna, aan de hand van onafhankelijk van elkaar afgelegde getuigenverklaringen en gerechtelijke vonnissen nog voor het voetlicht zal worden gebracht, kwam zelfs van deze vanuit medisch-therapeutisch oogpunt volstrekt niets voorstelllende zogenaamde 'nazorg-maatregelen' van minister Donner en minister Verdonk, in veel individuele gevallen niets terecht.
42. Getraumatiseerde en geshockeerde overlevenden van de ramp onderworpen aan het tegendeel van een opvang in een omgeving van veiligheid, erkenning, vertrouwdheid en sociale en materiële ondersteuning
42.1. Ontbrak het dan ook veelal zelfs aan wat voor incidentele medische en psychologische opvang en nazorg dan ook, van structurele psychische zorg jegens de slachtoffers is in elk geval op enig moment in het geheel geen sprake geweest.
42.2. Niet alleen werden de overlevende illegalen, zonder enige extra zorg van betekenis en zonder enige omzichtigheid, onmiddelijk na de brand naar andere detentie-centra overgebracht en werd aldus de overlevenden geen rust en ruimte geboden om deze vreselijke ervaring, buiten de gevangenis, met deskundige hulp te proberen te verwerken, maar dikwijls werden zij zelfs naar andere detentie-kampen overgebracht, zoals de Rotterdamse detentieboot en Kamp Zeist, waar de dagelijkse detentie-omstandigheden voor hen nog slechter waren dan eerder in Schiphol-Oost.
42.3. Daaraan wordt niet afgedaan doordat, naar de Leeuwarder Courant van 17 november 2005 wist te melden, een zestigtal van de overlevenden die aanvankelijk naar Kamp Zeist, de Rotterdamse detentieboten en een aantal andere detentie-kampen waren gedeporteerd, omstreeks half november 2005 weer zouden zijn doorgeplaatst naar 't Nieuwe Loyd, zoals minister Donner op die dag schriftelijk aan de Tweede Kamer had laten weten, alwaar voor hen betere opvang-condities zouden kunnen gelden.
42.4. Psychiaters, verbonden aan het Centrum 40-45 in Oegstgeest, hebben recentelijk herhaaldelijk duidelijk gemaakt, onder anderen in een NOVA-uitzending van 17 november 2005, dat voor een zorgvuldige behandeling van getraumatiseerden, een acute opvang in een omgeving van veiligheid, erkenning, vertrouwdheid en van sociale en materiële ondersteuning van fundamentele betekenis is.
42.5. Daarbij geldt dan ook nog dat personen, die in hun land van herkomst of elders, al eerder het slachtoffer zijn geweest van traumatische ervaringen, extra kwestbaar zijn, en extra zorg en aandacht nodig hebben. Ook het vaststellen van dergelijke eerdere trauma's vereist een systematisch en nader op de persoon gericht onderzoek onder alle overlevenden, waarvan in het geheel geen sprake is geweest.
42.6. De afschuwelijke omstandigheden waaronder de slachtoffers, ook na de catastrofale brand, gevangen worden gehouden, vormen een regelrechte bespotting van de omstandigheden die medisch noodzakelijk zijn te achten om te komen tot welke oprechte poging van behandeling en nazorg ten aanzien van de slachtoffers dan ook.
42.7. Amnesty International laat hierover, in diens verklaring van 21 november 2005 onder de titel "Laat vluchtelingen tot hun recht komen", eerst de onderzoeksarts Liem aan het woord:
"'Als iemand opgesloten is, niet weg kan en getuige is van een levensbedreigende brand, is dit voor vrijwel iedereen een traumatische gebeurtenis. [...] In het uitzetcentrum van Schiphol zaten ook uitgeprocedeerde asielzoekers. De kans dat zij in hun vaderland gewelddadigheden hebben meegemaakt en daardoor getraumatiseerd zijn geraakt, is zeker niet denkbeelding. [...] Als iemand in het (recente) verleden een traumatische ervaring heeft opgelopen (in het land van herkomst) en nu opnieuw een traumatische gebeurtenis meemaakt (recidief) is de kans op ernstige psychische schade zeer groot. De kans op het ontwikkelen van een echte post traumatische stress stoornis is dan aanzienlijk.'"
42.8. Waarna deze verklaring van Amnesty als volgt verder gaat:
"In een rapport van Amnesty International uit 1999 over detentie van asielzoekers in de Verenigde Staten werd hierop al gewezen."
43. Ernstige psychische schade en het ontwikkelen van een post-traumatische stress-stoornis een imminente dreiging voor overlevenden als gevolg van de aan hen opgedrongen afschuwelijke detentie-omstandigheden
43.1. Geldt dus al dat, normaal gesproken, in uitzichtloze detentie-omstandigheden sprake is van een zodanig lijden, dat psychiatrische stoornissen daarvan het gevolg kunnen zijn, des te erger moet het lijden zijn van mensen die in een dergelijke uitzichtloze detentie-situatie worden gedwongen, die al eerder getraumatiseerd zijn geraakt in hun land van herkomst en des te groter is de kans dat zij chronische psychiatrische klachten ontwikkelen.
43.2 Terwijl dan mensen die zo'n afschuwelijke en traumatiserende ervaring achter de rug hebben als de overlevenden van deze gruwelijke brand, en die dan vervolgens door de ministers Donner en Verdonk in de barre detentie-omstandigheden worden geplaatst als hier het geval is, helemaal onderworpen worden aan een ondraaglijk psychisch lijden.
43.3. Hier is dan ook, op zichzelf reeds, evident sprake van een wrede en onmenselijke behandeling, die gemakkelijk kan leiden tot blijvende ernstige geestelijke aandoeningen.
43.4. Meer recent herhaalde Amnesty International haar zorgen in dit verband in een rapport over detentie van asielzoekers in Australië. In dit rapport stelt de organisatie:
"Amnesty International is concerned that asylum seekers in detention are experiencing significant levels of mental illnesses. There is mounting evidence that detainees, particularly those who are kept in prolonged or indefinite detention, are at high risk of experiencing chronic depression, incidents of self-harm or attempted suicide. [...] Detention centers don't operate as hospitals and in no way can be said to be therapeutic." (Amnesty International, The impact of indefinite detention: the case to change Australia' s mandatory detention regime, AI Index: ASA 12/001/2005, p. 21-22, 30 June 2005)
43.5. Amnesty baseert zich hierbij op diverse internationale studies en andere gezaghebbende bronnen over de lichamelijke en psychische effecten van vreemdelingendetentie op de gezondheidstoestand van gedetineerde vreemdelingen. (zie bijvoorbeeld: 'Mental health of detained asylum seekers', The lancet 2003; 362: 1721-23 en 'Mental illness in detained asylum seekers', The Lancet 2004; 364: 1283-84)
43.6. Zo meldt de British Medical Association (vergelijkbaar met de Nederlandse KNMG) over de detentieomgeving:
"Confinement [...] increases the chance of ill- health, creates optimal conditions for infections and minimal opportunity for early diagnosis and treatment. [...] The general prison system is no place for the mentally ill." (Britisch Medical Association, The Medical Profession & Human Rights. Handbook for a Changing Agenda, London : Zed Books and BMA 2001, p. 97 en 115)
De publicatie geeft diverse voorbeelden waarin het niet opvolgen van medisch adviezen ten behoeve van gedetineerde vreemdelingen heeft geleid tot ernstige gezondheidsklachten.
43.7. Ook de medische mensenrechtenorganisatie Physicians for Human Rights geeft met zoveel woorden aan dat detentie voor getraumatiseerde asielzoekers (lees: vreemdelingen) desastreus kan zijn:
"Trauma and torture can directly and indirectly affect a person's ability to function. [...] For asylum seekers held in detention it may be very difficult to assess changes in overall function. The individual is held in artificial circumstances without a 'normally' daily life and without opportunity to work or to function in a 'normal' setting. (Physicians for Human Rights, Examining asylum seekers. A Health Professional's Guide to Medical and Psychological Evaluations of Torture, New York 2001, p. 81) 44. Anti-Folter Comité: het opleggen van langdurige detentie kan, bij ernstige getraumatiseerdheid, het karakter aannemen een wrede of onmenselijke behandeling in de zin van het Anti-Folterverdrag
44.1. Tenslotte wijst Amnesty International nog op een overweging uit een 'view' van het Anti-Foltercomité van 12 mei 1999 in de zaak A. v. The Netherlands. Weliswaar handelt de betrokken 'view' van het Comité over een mogelijk slachtoffer van marteling, maar Amnesty International is van mening dat de opmerking die het Comité maakt ten aanzien van detentie ook van toepassing kan worden geacht op slachtoffers van andere traumatiserende gebeurtenissen, zoals de brand op Schiphol. Het Comité overwoog hier onder meer:
"9. The Committe wishes to express its concern about the fact that the author has been held in detention since his arrival in the Netherlands on 24 November 1988 , i.e. only two months after he was allegedly tortured. The Committee considers that if torture did indeed take place, the fact of keeping him in detention for such a prolonged period could have an aggravating effect on his mental health and ultimately amount to cruel or inhuman treatment." (View of the Committee against Torture in A. v. The Netherlands , CAT/C/22/124/1998, 12 mei 1999, NAV 1999/86, p. 372-377)
44.2. Indien het opleggen van langdurige detentie aan personen die kort voordien getraumatiseerd zijn door marteling, in de opvatting van het Anti-Folter Comité het karakter kan aannemen van een wrede of onmenselijke behandeling in de zin van het Anti-Folter Verdrag, dan geldt dit ook voor personen die overlevende zijn van een afschuwelijke traumatiserende ervaring van de brand in Schiphol-Oost, die onmiddellijk daarna weer voor onbepaalde tijd in barre detentie-omstandigheden werden opgesloten. 45. Elke uitvoering van onderzoek naar de traumatische ervaringen onder de overlevenden volgens door Amnesty International benadrukte wetenschappelijke standaards is volstrekt achterwege gelaten - Istanbul Protocol
45.1. In deze verklaring van 21 november 2005 gaat Amnesty International verder in op het door de regering 'aangekondigde onderzoek naar de traumatische ervaringen van de overlevenden van de brand'. Van zo'n onderzoek is, in passende en acceptabele vorm, niets terecht gekomen, maar Amnesty International wijst erop dat een dergelijk onderzoek in elk geval aan professionele standaards zou dienen te voldoen.
45.2. Amnesty International verwijst in dit verband naar het Istanbul Protocol en de waarborgen die dit zou bieden voor het doen van wetenschappelijk verantwoord medisch onderzoek naar de geestelijke toestand van de overlevenden van de gruwelijke brand.
45.3. Het Istanbul Protocol van 9 augustus 1999 is een internationaal erkend protocol voor medisch onderzoek bij slachtoffers van marteling. De algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft de waarde ervan bevestigd door het aan te nemen in Resolutie A/Res/55/89 van 22 februari 2001. Het protocol is onder meer te vinden op www.ohchr.org/english.
45.4. De verklaring van Amnesty International van 21 november 2005 stelt dan onder meer nog:
"Het eerder genoemde Istanbul Protocol gaat er van uit dat slachtoffers persoonlijk worden onderzocht en dat daarvan een uitgebreide rapportage wordt opgesteld."
45.5. Dit is dus, zoals reeds aangegeven, door de ministers Donner en Verdonk volstrekt achterwege gelaten. Dat dit opzettelijk achterwege is gelaten, vormt daarbij een feit. 45.6. Kennelijk is dit door de ministers Donner en Verdonk opzettelijk achterwege gelaten onder het motto 'wat niet weet, wat niet deert'. Niets wijst erop dat dit anders zou liggen.
46. De motie-Lambrechts, als oproep tot het doen van zorgvuldig onderzoek ten aanzien van iedere overlevende, opzettelijk beperkt geinterpreteerd door de ministers Donner en Verdonk
46.1. In dit verband wordt verwezen naar de motie-Lambrechts van 10 november 2005, waarin onder meer werd overwogen:
"[...]dat het van een onnodige hardheid zou getuigen indien het risico zou bestaan dat de Nederlandse overheid overlevenden van de Schipholbrand terugstuurt naar landen van herkomst voordat er duidelijke garanties voor adequate medische en psychologische verzorging aldaar zijn;
Verzoekt de regering niet tot uitzetting van overlevenden van de Schipholbrand over te gaan zolang er geen sprake is van een zorgvuldige, onafhankelijke medische en psychologische beoordeling van de overlevenden",
waarop door minister Verdonk in het spoeddebat van 17 november 2005 in de Tweede Kamer werd aangegeven dat alle overlevenden medisch zouden worden gescreend alvorens tot uitzetting over te gaan.
46.2. Maar onmiddellijk werd daarbij voorts door minister Verdonk werd aangegeven dat die screening dan, wat haar betreft, uitsluitend zou plaatsvinden in het kader van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000, namelijk omtrent de vraag of de betrokken overlevenden al dan niet in staat zouden zijn om te reizen. Terwijl door door minister Verdonk verder uitdrukkelijk nog bij werd gesteld dat die screening dan zou dienen plaats te vinden door het Bureau Medische Advisering (BMA), dat dan ook zou dienen te bekijken of er medische voorzieningen in het land van herkomst aanwezig zijn.
46.3. Minister Verdonk versmalt aldus opzettelijk de motie-Lambrechts tot een oproep tot een medisch onderzoek naar, en een medische beoordeling van, de vraag of de betrokken overlevende medisch in staat is om te reizen, en of er in het land van opvang medische voorzieningen zullen zijn. Een interpretatie die de Kamermeerderheid vervolgens over zijn kant laat gaan, maar waarbij een zorgvuldig individueel medisch onderzoek en een onafhankelijke individuele medische en psychologische beoordeling van de overlevenden definitief achter de horizon verdwijnen.
46.4. De verklaring van 21 november 2005 van Amnesty International legt in dit verband dan vervolgens nadrukkelijk de vinger op het volgende manco:
"Het eerder genoemde Istanbul Protocol gaat er van uit dat slachtoffers persoonlijk worden onderzocht en dat daarvan een uitgebreide rapportage wordt opgesteld. Het is Amnesty International bekend dat het BMA, dat de screening naar verluidt zal uitvoeren, in de regel geen persoonlijk onderzoek verricht. Amnesty International meent dat persoonlijk onderzoek van belang is voor een deugdelijke medische screening. De vraagstelling moet daarbij niet beperkt worden tot de kwestie of iemand kan reizen. De screening zoals door u voorgesteld omvat naar de mening van Amnesty International een te beperkte medische evaluatie van de situatie van de overlevenden.
Amnesty International begrijpt uit de motie dat 'er garanties dienen te bestaan'. Dit betekent naar de mening van de organisatie niet alleen de aanwezigheid van voorzieningen, maar ook de feitelijke toegang daartoe. Dat vraagt naar de mening van Amnesty International om een verdergaand onderzoek dan louter de vaststelling dat er medische voorzieningen in het land van herkomst aanwezig zijn."
46.5. Maar deze kanttekeningen, en de daaraan gekoppelde pleidooien van Amnesty International om wél een individueel medisch onderzoek te doen met betrekkking tot alle overlevenden, en dat niet te beperken tot de vraag of de betrokkenen medisch in staat moeten worden geacht om te reizen, alsmede niet te blijven staan bij de vraag of er in het beoogde land van opvang medische voorzieningen zijn, maar ook daarin de vraag te betrekken naar de toegankelijkheid hiervan voor de uitgewezen slachtoffers van de ramp, vermochten op minister Verdonk geen enkel effect te hebben.
46.6. Aldus wisten minister Donner en minister Verdonk, met steun van een moreel failliete kamermeerderheid, elk aanzet tot systemtisch en wetenschappelijk verantwoord medisch onderzoek naar de psychische gesteldheid van de overlevenden van ramp effectief in de kiem te smoren.
47. Het dumpen van ieder vorm van medische zorg bij het dumpen van overlevenden op straat
47.1. Van medisch onderzoek aan, alsmede medische verzorging van, overlevenden die zonder meer op straat worden gedumpt, is, zo hebben de ministers Donner en Verdonk - met impliciete steun van een moreel failliete kamermeerderheid - bepaald, al helemaal geen sprake. Dit chapiter wordt, in de politieke discours, geheel buiten beschouwing gelaten. 47.2. De ministers Verdonk en Donner grijpen de impliciete vrijbrief die een moreel failiete parlementaire meerderheid hun ook op dit gebied geven, onmiddellijk aan om, voor zover er, in individuele gevallen, dan al sprake was van enig medisch medisch contact, dit onmiddellijk te doen afkappen in alle gevallen dat overlevenden op straat worden gezet. 47.3. De getuigenissen zijn op dit punt anoniem en sluitend. Zij zijn allemaal geheel in lijn met wat advocaat de Kok moest ervaren met betrekking tot een Georgische cliënt, die de brand had overleeefd. Hetgeen in de Leewarder Courant van 12 november 2005 als volgt werd weergegeven:
"De Georgiër is inmiddels zonder verdere behandeling met 15 euro op straat gezet."
47.4. En de Volkskrant berichtte op 12 november 2005, met betrekking tot een tweetal overlevenden die inmiddels op straat waren gezet, en bij de vluchtelingenorganistie Prime bescherming hadden gezocht, op dit punt aldus:
"Zij zijn officieel illegaal nu en hebben geen dak boven het hoofd. 'Zij zijn getraumatiseerd, maar zien nu helemaal geen psycholoog meer'."
47.5. Talrijke berichten maken sedertdien melding van overlevenden, die zwaar getraumatiseerd en soms volkomen verdwaasd, zonder enige verdere medische zorg door minister Donner en minister Verdonk letterlijk op straat zijn gedumpt.
48. Schijn-manoeuvres van de ministers Donner en Verdonk met betrekking tot inzicht in de medische toestand van de overlevenden
48.1. De Leeuwarder Courant berichtte op 17 november 2005 dat justitie inmiddels zou hebben vastgesteld hoe het met de mate van getraumatiseerdheid van de slachtoffers en overlevenden van de ramp gesteld zou zijn:
"Uit de stukken van de medische dienst van justitie blijkt dat vijf overlevenden van de brand, die in totaal elf vreemdelingen het leven kostte, ernstig zijn getraumatiseerd. Nog eens twaalf personen hebben 'stress symptomen'."
48.2. Nu er echter, klip en klaar, vanaf de eerste aanvang van een structureel en individueel psycho-pathologisch onderzoek van de slachtoffers van de ramp geen sprake is geweest, en niets erop wijst dat iedere overlevende, door daartoe competente medici, op dit punt zou zijn gediagnosticeerd, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de bewering van minister Donner en minister Verdonk dat 'vijf overlevenden ernstig zijn getraumatiseerd' en 'twaalf anderen stress symptomen' zouden hebben, een slag in de lucht vormt.
48.3. Blijkbaar proberen de ministers Donner en Verdonk op die manier de misleidende indruk te wekken dat zij, voor wat betreft de psycho-pathologische gevolgen voor de overlevenden, de vinger aan de pols hebben, en pogen zij ook zo de schijn op te houden van zorgvuldig medisch handelen.
48.4. Tevergeefs, want van een werkelijke poging tot adequate nazorg en behandeling is evident geen sprake.
48.5. Ook psychiaters verbonden aan het Centrum 40-45 te Oegstgeest, hebben recentelijk eveneens herhaaldelijk duidelijk gemaakt, dat diagnoses op het gebied van post traumatische stress stoornis en andere stress symptomen slechts kunnen worden gesteld op basis van zorgvuldig en deskundig onderzoek.
48.6. Nu minister Verdonk, middels de wel zeer enge uitleg die zij stelde aan de motie-Lambrechts te willen geven, zelf ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt dat van enig wetenschappelijk verantwoord medisch onderzoek naar de psychische toestand van de overlevenden geen sprake zou zijn, vallen er door de ministers Verdonk en Donner dan ook geen cijfers te geven omtrent het aantal getraumatiseerden en anderszins met psychische aandoeningen te kampen hebbende overlevenden van de ramp, anders dan op basis van natte vinger-werk.
48.7. Het is op zich al verbijsterend, en in elk geval volstrekt onaanvaardbaar, dat de ministers Donner en Verdonk op deze volstrekt misleidende manier de ware omvang van het psychisch lijden dat door hen is aangericht trachten te verdonkeremanen.
49. De door de ministers Donner en Verdonk voorgespiegelde minieme en ondermaatse opvang en zorg. 49.1. De volledig ontoereikende maatregelen die minister Donner en minister Verdonk voor de opvang en nazorg van slachtoffers en overlevenden van de ramp wél in petto zegden te hebben, werden in de brief aan de Tweede Kamer van 1 november 2005 , voor zover in dit verband van betekenis, als volgt weergegeven:
"Aan de personen die zijn overgeplaatst naar andere detentiecentra wordt - evenals aan de overige betrokkenen - maximale zorg en begeleiding geboden. Direct na aankomst in de inrichting heeft een afzonderlijke intake plaatsgevonden door zowel een medewerker van de medische dienst als door een terugkeerfunctionaris."
49.2. Daarbij moet dan onmiddelijk worden aangetekend dat noch een 'terugkeerfunctionaris', noch de gemiddelde 'medewerker van de medische dienst' - nota bene: dat kan dus ook een gewoon verpleegkundige zijn - aangemerkt kan worden als deskundige op het gebied van het diagnosticeren van trauma's. Waarbij er bovendien op moet worden gewezen dat bovendien de kwaliteit van de 'medische diensten' van detentiekampen voor illegalen de laatste jaren van officiële zijde herhaaldelijk als beneden de maat aan de kaak is gesteld.
49.3. Niettemin zou deze 'intake' dan verder bepalend worden gemaakt voor, al dan niet, een vervolgtraject naar verdere medische zorg:
"Op basis van deze intake heeft waar aangewezen verwijzing plaatsgevonden heeft naar de inrichtingsarts, dan wel een psycholoog of psychiater. Hiertoe waren de medische dossiers van betrokkenen direct vanuit Schiphol overgebracht en waren extra psychologen in de inrichting aanwezig."
49.4. Met andere woorden: of iemand, volgens de hier beweerde opzet, zou worden verwezen naar enige medicus, en wat voor medicus dit dan wel was - inrichtingsarts, psycholoog of psychiater -, zou dan worden bepaald door 'een terugkeerfunctionaris' en/of 'een medewerker van de medische dienst'. Dat wil zeggen door personen die daarvoor niet waren gequippeerd.
49.5. Bovendien laat deze brief aan de Tweede Kamer volstrekt in het midden wat die 'verwijzing' dan wel voor betekenis zou dienen te hebben. Een eenmalig gesprek ? Van een half uur ? Of een eerste aanzet voor verdere traumazorg ? En hoe dan wel ?
49.6. Er 'waren extra psychologen in de inrichting aanwezig', stellen de ministers Donner en Verdonk in deze brief aan de Tweede Kamer. Als dat zo was, was dit kennelijk alleen op die dag van de overplaatsing. Anders was daar wel geschreven: 'Er zijn extra psychologen in de inrichting aanwezig'. Het Reformatorisch Dagblad van 2 november 2005 vermeldt dat het, volgens minister Verdonk, hierbij ging een team van 12 psychologen.
49.7. Latere berichten maken er melding van, zoals bijvoorbeeld de Volkskrant van 10 november 2005, dat het Instituut voor Psychotrauma zou zijn ingeschakeld, maar minister Donner verbiedt om bekend te maken om hoeveel deskundigen het hier gaat en wat hun preciese taakopdracht en werkwijze zou zijn.
49.8. Voorts stelt deze brief aan de Tweede Kamer dan:
"Binnen de inrichtingen worden de gedetineerden afkomstig uit Schiphol zo veel mogelijk in elkaars nabijheid geplaatst..."
Een gratuite bewering, afhankelijk van de plaatsruimte, en die ontbreekt in veel gevallen.
De bedoeling van deze aanloop is om hier een - gratis - pseudo-nazorg-element te kunnen scoren. Want die beweerdelijke 'zo veel mogelijke bijeenplaatsing' zou dan gebeuren:
"..met het oog op de verwerking van de traumatische gebeurtenissen."
Da's dus een wel heel gemakkelijke en goedkope manier van 'trauma-zorg' !
49.9. Dan noemen de ministers Donner en Verdonk in deze brief aan de Tweede Kamer als verdere maatregelen tenslotte nog:
"Er vinden zowel individuele als groepsgesprekken plaats, waarbij de geestelijke verzorgers een belangrijke rol vervullen." Kennelijk is het hier de opzet van de ministers Donner en Verdonk om geestelijke verzorgers in hoge mate te benoemen tot 'trauma-behandelingsdeskundigen'.
49.10. Dat dit inderdaad de bedoeling is, blijkt uit de vervolgzin, waarin wordt gesteld:
"Daarnaast zijn in de locaties waar personen uit Schiphol nu verblijven gezamenlijke bijeenkomsten gehouden onder leiding van de geestelijke verzorgers."
Hierin wordt dus in feite nog eens herhaald wat in de vorige zin al stond. En wordt dus nog eens benadrukt dat hier 'de geestelijke verzorgers' worden geacht op te treden als 'trauma-behandelingsdeskundigen'. 50. Zelfs de minieme en ondermaatse zorg en opvang die de ministers Donner en Verdonk stelden voor de slachtoffers en overlevenden van de ramp georganiseerd te hebben werd door hen niet geleverd 50.1. Maar zelfs van de hier door minister Donner en minister Verdonk jegens de Kamer toegezegde volstrekt ontoereikende 'hulpverlening' en 'nazorg' aan de getraumatiseerde slachtoffers en overlevenden van de ramp, in een daarvoor volkomen ongeschikte setting van detentiecentra die zelfs niet aan de internationale standaards van detentie-opvang voldoen, kwam in de praktijk vrijwel niets terecht.
50.2. In het reeds genoemde vonnis van de Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/47342, jegens de Tanzaniaanse overlevende van de schipholbrand A., wordt op dit punt dan ook overwogen:
"De rechtbank stelt voorts vast dat eiser ter zitting van 8 november 2005 heeft meegedeeld dat hij op de detentieboot meermalen om een arts heeft gevraagd, maar dat hij die, anderhalve week na zijn overplaatsing naar de detentieboot, nog steeds niet heeft gezien ondanks de toezegging in de hierboven weergegeven brief. De toezegging van de gemachtigde van verweerder [Verdonk dus] ter zitting van 8 november 2005 om dit alsnog onder de aandacht te brengen van het personeel van de detentieboot, doet daar niet aan af."
50.3. Kortom, minister Verdonk tracht hier, ten aanzien het falen om zelfs maar de toezegde, op zich al volstrekt ontoereikende 'zorg' te leveren, weg te komen door te zeggen: "We zullen hier onmiddellijk alsnog achteraan gaan." Die vlieger ging dus bij de rechter niet op.
50.4. De rechtbank voegt daar, nog dodelijker, aan toe:
"Geconcludeerd wordt dat aan de toezeggingen uit de hierboven aangehaalde brief, waar het eiser betreft, geen uitvoering is gegeven, hetgeen door de geachtigde van verweerder [Verdonk dus] ter zitting van 8 november 2005 ook niet is betwist ."
50.5. De taktiek van minister Donner en minister Verdonk is met dit alles duidelijk. In debatten in de Tweede Kamer over de onmenselijke bejegening van de slachtoffers en de overlevenden wordt de vermoorde onschuld gespeeld over 'maximale zorg en begeleiding' en 'derden die een verkeerd beeld scheppen', maar voor de rechter, als het op de gepleegde daden aankomt, blijken zij met volstrekt lege handen te staan.
50.6. Want wat hier gold voor de detentieboot in Rotterdam, gold ook voor Kamp Zeist. Ook in deze aangifte reeds genoemde uitspraak van Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/47715, wordt immers op dit punt overwogen:
"Eiser heeft verklaard dat toezeggingen van de Ministers, welke zijn neergelegd in de brief van 1 november 2005, in de praktijk niet zijn nagekomen. Eiser heeft bij binnenkomst in het DTC Zeist geen gesprek gehad, noch is aan hem een telefoonkaart uitgereikt. Eiser heeft voorts aangegeven klachten te ondervinden met zijn ademhaling, mogelijk als gevolg van opgelopen rookschade. Eiser heeft echter slechts eenmaal, kort, een arts gesproken."
En ook hier geldt weer:
" Dit is door verweerder niet weersproken ."
Het vonnis vervolgt dan:
"Gelet hierop is aan eiser in het detentiecentrum waar hij zich thans bevindt een week na de brand nog immer niet de toegezegde zorg verschaft."
En ook hier weer de poging van minister Verdonk om de verantwoordelijkheid hiervoor op het bordje van de leiding van het detentiecentrum te schuiven. Waar de rechter dan verder niet op in gaat:
"Dat verweerder heeft toegezegd dit onder de aandacht van het detentiecentrum te brengen doet hier niet aan af."
50.7. Op 4 november 2005 weet de directeur van Vluchtelingenwerk Nederland, Nazarsky, na bovengenoemd bezoek van 3 november 2005 aan de Rotterdamse detentieboot, in de Volkskant te melden dat slechts één van de acht overlevenden van de ramp, die hij daar te spreken wist te krijgen en die naar de Rotterdamse detentieboot waren gedeporteerd, tot dan toe een psycholoog had gezien. 'Anderen die dat ook wilden, kregen te horen dat over 10 dagen een beslissing daarover zou komen'.
50.8. Nog op 10 november 2005 verklaarde minister Donner in de Kamer nochtans dat, conform de brief van 1 november aan de Tweede Kamer, iedereen die medische en psycho-sociale zorg krijgt die nodig is, en dat dit al vanaf de het moment van de ramp het geval was geweest. Bij de 'intake', die na de brand in het kader van de deportatie naar andere detentiekampen plaatsvond, waren immers, volgens minister Donner, alle overlevenden door een psycholoog, dan wel psy-chiater of psychotherapeut gehoord. En die zouden, aldus minister Donner in de Tweede Kamer op 10 november 2005, zich daarbij dan een beeld hebben gevormd van wat, per overlevende, aan verdere psychische zorg noodzakelijk zou zijn.
50.9. De suggestie die hierbij wordt geintroduceerd, is dat als er overlevenden zijn die klagen over totaal gebrek aan opvang, de ministers Donner en Verdonk daarvoor geen blaam treft, maar dat hetzij het hier dan gaat om querulanten, die ten onrechte aanspraak maken op psychische zorg, terwijl toch, bij 'de intake', door 'onafhankelijke deskundigen' zou zijn vastgesteld dat ze daar, althans voor het moment, geen wezenlijke behoefte aan zouden hebben, hetzij door deze deskundigen bij hun beoordeling tijdens die 'intake' een fout zou zijn gemaakt, hetzij de detentieinstelling waarnaar de overlevenden zijn overgeplaatst fouten zou hebben gemaakt. Hetgeen dan natuurlijk hen, minister Donner en minister Verdonk, niet zou kunnen worden verweten!
50.10 Voorts verklaarde minister Donner bij deze gelegenheid in de Tweede Kamer dat overlevenden hem en minister Verdonk, in persoonlijke gesprekken die hij met hen inmiddels op de Rotterdamse detentieboot had gevoerd, zouden hebben bevestigd dat hun opvang goed was geweest.
50.11. Brutaalweg gaan de ministers Donner en Verdonk dan ook in beroep tegen de beide rechterlijke uitspraken van enkele dagen eerder, waarin de rechter uitgesproken had dat de ministers hun toezeggingen over 'opvang' na de ramp niet waren nagekomen.
50.12. Separaat en onafhankelijk van elkaar , wordt daar in getuigenissen van de slachtoffers zelf de werkelijkheid tegenover gesteld, zoals onder meer belicht in de Volkskrant op 8 november 2005:
"'Niet te geloven wat de minister durft te zeggen', zegt Mustafa Boukhari door de telefoon. 'We zitten hier achter de deur en krijgen geen aandacht.'
En:
"Momen Nouri, die verbleef in de getroffen vleugel K, had vrijdag nachtmerries, zegt Pouri [van vluchtelingenorganisatie Prime]. 'Hij kreeg vier slaappillen van een bewaarder, maar heeft geen psycholoog gezien'".
50.13. Ook de Leeuwarder Courant van 12 november stelt in dit verband over medische en psycho-pathologische opvang van de overlevenden;
"Lang niet allemaal hebben ze een arts gezien. Een gesprek met de pastor of de psycholoog vond pas anderhalve week na de brand plaats. Geholpen heeft het niet, zeggen de gevangenen."
50.14. Ook de Nigeriaan Oye Adepeju, die een van de overlevenden was die onmiddellijk na de brand in een strafcel in kamp Zeist werd geplaatst, heeft geen enkele 'intake' gehad, en zag pas voor het eerst een medisch verzorger, in de vorm van een psychiater, op 14 november, dat wil zeggen 18 dagen na de ramp. Dit was op de dag dat hij voor zijn rechtszaak, waarin zijn advocaat, mr. Denz, voor hem zijn vrijlating zou eisen, naar de rechtbank zou worden overgebracht.
Het feit dat hij juist die morgen van de zittingsdag een medicus zag, diende derhalve als een kennelijke poging van de zijde van de ministers Donner en Verdonk om ter zitting te kunnen weerspreken dat de Adepeju al die tijd iedere medische zorg totaal had moeten ontberen.
50.15. Adepeju werd vervolgens echter diezelfde dag door de kamp Zeist-autoriteiten opnieuw gemaltraiteerd, toen bleek dat men hem, alvorens naar de rechtbank te worden overgebracht, opnieuw in de strafcel wilde zetten. Toen hij zich daar in paniek tegen verzette, werd hem, bij wijze van straf, door de directeur van Kamp Zeist overbrenging naar de rechtbank geweigerd, zodat de behandeling van zijn zaak vervolgens in absentia plaatsvond. Volgens nadere uitleg van de directeur van kamp Zeist zou plaatsing in de strafcel in afwachting van transport een routine-behandeling vormen.
50.16. De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 maakt voorts melding van berichten van diverse advocaten die er melding van hebben gemaakt dat hun cliënten vlak na hun overplaatsing naar andere detentiecentra methadon kregen aangeboden. De krant komt in dit verband met het volgende voorbeeld:
"Volgens advocaat Jan de Kok vroeg een dokter tijdens een medisch intakegesprek bij aankomst in Zeist of zijn cliënt behoefte had aan methadon, een medicijn met een gelijksoortige werking als heroïne."
En de krant voegt daar aan toe:
"Daarna heeft zijn Georgische cliënt geen arts meer gezien."
50.17. En op 11 november 2005 schreef de Volkskrant: "Vrij, eindelijk vrij. En twee uur later in shock. De Iraanse Massoed Ban Bersa (24) kan niet geloven dat minister Donner van Justitie zegt dat de overlevenden van de Schiphol-brand maximale zorg en begeleiding hebben gekregen. 'Ik ben een gebroken mens'."
En:
"'Hoe kan minister Donner dat allemaal zeggen. Wij krijgen geen goede zorg en dat hebben mensen hem ook gezegd.' De minister bracht woensdag een bezoek aan de detentieboot en sprak met vier overlevenden. 'Ik wilde met hem praten, maar dat mocht niet'."
En:
"'Momen Nouri heeft hem gesproken', zegt Massoed. 'Die heeft tegen de minister gezegd dat de zorg niet goed was'."
En:
"Massoed zelf vindt dat ook. Hij kreeg een medische indicatie op de dag van de ramp. 'Maar ze stellen geen vragen over de brand. Ze vroegen of ik aids had en dat soort zaken. Hij vroeg naar een psycholoog, die volgens hem vier dagen later kwam. 'Hij gaf me twee slaaptabletten en zei dat ik het daarmee moest doen'. Twee dagen later kwam 'een goede psycholoog' langs. De Iraanse student heeft sinds de ramp slapeloze nachten. Vooral de cel beangstigde hem. 'Voor het eerst in mijn leven dacht ik: was ik maar niet geboren.' Zes dagen na de brand sprak Massoed een 'goede psycholoog'. 'Maar vooral die boot was verschrikkelijk. Het regime is daar helemaal niet ingesteld op personen die zo'n trauma hebben'." 50.18. In het interview met hem, dat het magazine Trajectum' van 21 november 2005 plaatste, verklaarde Massoed Ban Bersa:
"De intake op de bajesboot bestond uit vragen of je aids had, allergisch was en zelfmoordpogingen had gedaan."
En, na te hebben aangegeven dat hij zijn cel op de detentieboot moest delen met drie andere asielzoekers, die na de gebeurtenissen lijden aan slapeloosheid en daarvoor elke nacht twee slaappillen krijgen:
"'Daarmee kon je dan drie, vier uur slapen.'
50.19. Met welk gebrek aan zorgvuldigheid het daar, qua medische verzorging, verder toeging, wordt nog eens onderstreept door de volgende ervaring die Ban Bersa daar opdeed:
"De avond voordat hij zich weer bij de rechtbank moet melden, krijgt een celgenoot vier pillen en Ban Bersa niets. 'U staat niet op de lijst', zeiden ze."
50.20. Op 12 november 2005 komt de Volkskrant met een getuigenis van de schoonzuster van de in de gruwelnacht omgekomen Mehmet Avar, Nevi Igli, die inmiddels op de detentieboot heeft gesproken met Momen Nouri:
"Zij bezocht Nouri met een tolk, om meer te weten te komen over de dood van Mehmet. Hij zat in vleugel K, waar elf vreemdelingen omkwamen. 'Nouri zag Mehmet brandend gillen, maar de bewaarster ging er met de sleutel vandoor'."
50.21. Over de geestelijke toestand van Nouri, alsmede de psychotherapeutische zorg die hij ontvangt, wordt dan het volgende verhaald:
"'Ik heb daar een man aangetroffen, gewikkeld in een wit laken'. Zijn kleren zijn verloren gegaan, een advocaat heeft hij niet. Althans hij heeft hem niet gezien."
En:
"De overlevende is gekweld, zegt Igli, omdat hij niets voor de anderen kon doen."
En, aldus haar verdere verklaring:
"Zijn ogen stonden verwilderd, je hoeft geen psychiater te zijn om te zien dat het slecht met Momen Nouri gaat. Dat hij hulp nodig heeft. Hoe durven de ministers zo het Nederlandse volk voor te liegen'"?
En:
"Vrijdag belde Nouri naar vluchtelingenorganisatie Prime, die dat gesprek heeft opgenomen. Ook de gevangene zelf begrijpt niets van de uitspraak van de minister dat de zorg voor overlevenden 'maximaal' is. 'Donner zegt dat ik tevreden ben. Dat ben ik niet. Ik heb pijn in mijn hart en ben 's nachts bang. De dokter geeft me alleen slaaptabletten. Mijn hart gaat tekeer, ik weet niet of ik leef of dood ben. Dat alles heb ik verteld aan Donner." 50.22. Ook de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 laat Momend Nouri aan het woord:
"'Ik kan de nacht maar niet vergeten', zegt Momen Nouri. 'Ik heb mensen zien branden. Het leken wel gekken, zoals ze rondrenden. Mijn ogen zijn nu schuldig. Ik wil mijn verhaal kwijt, maar er zijn nergens tolken. Zonder pillen slaap ik niet meer. De nachten zijn verschrikkelijk. In mijn dromen zie ik brandende mensen.'"
50.23. En de Volkskrant van 12 november 2005 stelt hier:
"Ook de Algerijn Benai zat tijdens de ramp in vleugel K. Hij was al in shock, zegt hij. 'Maar ik ben meer geshockeerd over de antwoorden van Donner'. Ook hij heeft met de minister gesproken. 'Ik heb Donner gezien en al mijn klachten verteld. Er zijn hier te weinig medicijnen en er is maar één dokter'. Volgens beide gedetineerden heeft de bewindsman met twee anderen gesproken die nauwelijks Engels of Nederlands kunnen spreken. 'Er was geen tolk'."
51. Verdere deplorabele detentie-omstandigheden voor de slachtoffers van de ramp op de detentieboot 'Reno'
51.1. Over de verdere detentie-omstandigheden op de Rotterdamse detentieboot 'Reno' weet directeur Nazarski van Vluchtelingenwerk Nederland, na zijn bezoek op 3 november 2005 aan deze bajesboot, in de Volkskrant van 4 november 2005 voorts nog te melden dat de mensen op de detentieboot - en dat geldt dus ook voor de getraumatiseerde overlevenden van de ramp - maar één keer per dag een half uur mogen luchten.
51.2. En tot slot weet hij daar dan , aldus de Volkskrant van 4 november 2005, ook nog aan toe te voegen dat voedseluitreiking op de detentieboot slechts één keer per dag plaats vindt.
51.3. Ook het onderworpen zijn aan dergelijke deplorabele detentie-omstandigheden maakt de alreeds onaanvaardbare detentie voor de geestelijk beschadigde overlevenden des onverdraaglijker.
52. Het totaal achtewege laten van enige structurele medisch-fysieke zorg ten aanzien van de slachtoffers van de ramp door de ministers Donner en Verdonk
52.1. Behalve enige vorm van structurele psychische zorg en opvang, alsook een veelvuldig falen van zelfs maar enigerlei individuele zorg op dit punt, is een en ander ook ten aanzien van de medisch-fysieke zorg voor de overlevenden door de ministers Donner en Verdonk zo georganiseerd dat iedere structurele component daarbij ontbreekt.
52.3. Een structureel medisch-fysieke screening onder de slachtoffers is door hen volledig achterwege gelaten.
53. Het falen van individuele medisch-fysieke zorg voor de slachtoffers, zoals deze dor de ministers Donner en Verdonk is georganiseerd
53.1. Daarnaast faalt ook deze door hen georganiseerde medisch-fysieke zorg jegens de slachtoffer veelvuldig, zelfs in individuele gevallen . 53.2. Berichten, waaruit af te leiden is dat bij de brand in de cellen giftige stoffen zouden kunnen zijn vrijgekomen, die door de overlevenden mogelijkerwijs zijn ingeademd, leidden niet tot enig gericht onderzoek onder de slachtoffers en overlevenden. 53.3. Dit ondanks het feit dat de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 weet te melden dat de gevangenen nog steeds over hoofdpijn klagen.
53.4. Ook bij vonnis van 8 november 2005 van de rechtbank Den Haag (zp. Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/47715, wordt, zoals reeds aangegeven, jegens de Tanzaniaanse overlevende van de ramp overwogen:
"Eiser heeft voorts aangegeven klachten te ondervinden met zijn ademhaling, mogelijk als gevolg van opgelopen rookschade. Eiser heeft echter slechts eenmaal, kort, een arts gesproken."
55. Verdere mensonterende aspecten van opvang en bejegening van de slachtoffers en de overlevenden
55.1. Dan zijn er nog de navolgende aspecten, die getuigen van een mensonterende gebreken bij de opvang en die verder getuigen van een onmenselijke bejegening van de slachtoffers en overlevenden van de ramp:
56. Dagenlange onduidelijkheid over de indentiteit van de slachtoffers en de verblijfplaatsen van de overlevenden
56.1. Na de ramp is dagenlang, voor iedereen - familie, vrienden, bekenden en advocaten , onduidelijk wie tot de overlevenden behoren, wie gewond zijn geraakt en wie dodelijk slachtoffer zijn geworden, en wie van de overlevenden waar naartoe zijn gedeporeerd.
56.2. Lijsten van overlevenden worden door minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, dagenlang, niet vrijgegeven, en zelfs aan het Rode Kruis onthouden.
56.3. Over de gewonden weigeren minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, dagenlang, ook maar iets bekend te maken. Pas op 1 november 2005 werd bekend dat er vijftien gewonden zijn, waarvan één zwaar.
57. Dagenlange beletselen in de contacten tussen advocaten en overlevenden
57.1. Het verlenen van rechtshulp aan de overlevenden wordt, dagenlang, onmogelijk gemaakt doordat advocaten niet worden geinformeerd over de plaats waarheen hun cliënten zijn gedeporteerd.
57.2. Er komen, nog dagenlang na de brand, meldingen van advocaten dat hen, dagenlang, expliciet verboden werd om hun clinten te bezoeken.
57.3. Amnesty International vermeldt in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005:
"Amnesty International is worried by reports that following the fire, lawyers representing survivors of the fire have not been given adequate information regarding the whereabouts of their clients and report insufficient access to them."
58. De ministers Donner en Verdonk brengen hiertegem 'de eigen verantwoordelijkheid' van de overlevenden in stelling
58.1. Minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk beschuldigen vervolgens de overlevenden dat het hun eigen schuld is dat, nog dagen na de brand, hun familie en hun advocaten geen kontakt met hen kunnen maken, omdat de overlevenden zouden weigeren om met hen in verbinding te treden.
58.2. Hierover wordt door Amnesty International, in diens verklaring over de ramp van 21 november 2005, opgemerkt:
"In dit verband heeft Amnesty International dan ook met verontrusting kennis genomen van de overwegingen over de 'eigen verantwoordelijkheid' van overlevenden van de brand waar het gaat om het contact leggen met advocaten en familieleden kort na de brand. In het kamerdebat op 1 november gaf u aan dat aan een ieder een telefoonkaart was verstrekt, maar dat het verder aan de overlevende was om contact te leggen met de buitenwereld. Naast het feit dat over de communicatie tussen advocaten en familieleden enerzijds en overlevenden anderzijds verschillende klachten zijn geuit, meent Amnesty International dat in casu een meer actieve opstelling van de overheid noodzakelijk is."
Vervolgens wordt een uiteenzetting gegeven waaruit blijkt dat van mensen die getroffen zijn door een dergelijke traumatische ervaring, naar gevestigde medische inzichten niet verwacht kan worden - en dus ook niet mag worden - dat zij volledig in staat zijn hun 'eigen verantwoordelijkheid' te bewaken.
59. Bewezen gevallen van het opwerpen van obstakels bij de communicatie van de overlevenden met de buitenwereld na de ramp en van het niet verstrekken van telefoonkaarten aan de overlevenden om contacten met hun familieleden en advocaat te kunnen maken
59.1. In de brief die de ministers Donner en Verdonk op 1 november 2005 naar de Kamer stuurden, staat vermeld dat voor iedereen die overgeplaats werd, gold:
"Bij binnenkomst is aan ieder van de personen afkomstig van Schiphol een telefoonkaart overhandigd opdat zij direct contact konden opnemen met familieleden of hun advocaat."
59.2. Berichten, onafhankelijk van elkaar, bevestigen echter dat overlevenden, dagenlang, de mogelijkheid wordt onthouden om telefonisch kontakt op te nemen met hun familieleden en hun advocaten, o.a. doordat hen telefoonkaarten werden onthouden.
59.3. Deze onafhankelijk van elkaar bevestigde gang van zaken wordt weliswaar door het ministerie van Justitie ontkend, maar op 29 oktober 2005 meldt de Volkskrant dat de woordvoerder van Justitie, Hans Jansens, ook op dit punt al in feite de terugtocht begint voor te bereiden. En wel door te stellen: 'Iedereen wordt in principe in staat gesteld om te bellen' naar familie of vrienden, maar daar aan toevoegde: 'Het betreft een groot aantal mensen en een beperkt aantal telefoons'. Waarmee in elk geval al erkend wordt dat de contacten van de overlevenden met de buitenwereld, teneinde familie en advocaten in te lichten, niet verliepen zoals onder deze afschuwelijke omstandigheden mocht worden verwacht.
59.4. Directeur Nazarski van Vluchelingenwerk Nederland meldt in de Volkskrant van 4 november 2005, na een bezoek de voorafgaande dag aan een detentieboot in Rotterdam, dat de opgeslotenen daar één keer per week in staat worden gesteld om één telefoonkaart van 5 euro aan te schaffen, die ze dan wel zelf moeten betalen. Dat geldt dan ook voor de overlevenden die naar dit detentie-kamp zijn overgebracht.
59.5. Hij weet daar aan toe te voegen dat, als de ingeslotenen daar - en dat geldt dus ook voor de overlevenden van de ramp - hun advocaat willen bellen, zij op dat moment van luchten wordt uitgesloten.
59.6. Mensen van wie het adressenboekje is kwijtgeraakt, en die dus geen telefoonnummer van hun advocaat bij de hand hebben, worden, dagenlang, op geen enkele manier bijgestaan als zij hun advocaat willen bellen.
59.7. In het vonnis van 8 november 2005 de Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam), reg.nr. AWB 05/47715, inzake de Tanzaniaanse overlevende A., die naar Kamp Zeist was overgebracht, werd op dit punt overwegen:
"Zo heeft eiser bij binnenkomst in het DTC Zeist geen gesprek gehad en is eiser niet in het bezit gesteld van een telefoonkaart."
En:
"Voor zover zaken niet, dan wel niet goed zijn geregeld, zoals afgifte van een telefoonkaart (...), heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting van 3 november 2005 toegezegd dat zij, naar aanleiding van deze zitting, deze zaken onmiddellijk onder de aandacht zal brengen van de daarvoor verantwoordelijke personen in het DTC Zeist."
59.8. Na zo'n afschuwelijke en traumatiserende gebeurtenis is, voor een eventuele verwerking daarvan, een direct contact met, en opvang in, een kring van familie en/of vertrouwden een essentiële voorwaarde.
59.9. Door daar niet voluit, in organisatorische en ondersteunende zin, medewerking aan te verlenen, doch, in tegenstelling daarmee, daarvoor jegens de overlevenden obstakels op te werpen en zich hier te verschuilen achter 'de eigen verantwoordelijkheid' van de overlevenden, maken de ministers Donner ook op dit expliciete punt zich schuldig aan een wrede en onmenselijke behandeling van deze overlevenden.
60. Het onthouden van bezoek-mogelijkheden van familie en vrienden na de ramp
60.1. Overlevenden wordt, nog dagenlang na de brand, stelselmatig en systematisch de mogelijkheid onthouden om hun familieleden en vrienden op bezoek te laten komen.
60.2. Ook deze fundamentele inbreuk op wat voor de door de afschuwelijke ramp getraumatiseerde en geshockeerde overlevenden noodzakelijk is voor de eerste verwerking daarvan, namelijk de mogelijkheid tot intensief contact met vertrouwde personen, in casu hun familie en vrienden, kenmerkt zich als een opzettelijke wrede en onmenselijke behandeling van de slachtoffers door de ministers Donner en Verdonk.
61. Het, dagenlang, niet verstrekken van schone kleren aan de overlevenden
61.1. Overlevenden weten op 2 november 2005 tot de media te laten doordringen dat zij dan nog steeds geen schone kleren hebben gekregen.
61.2. Na het bezoek dat de directeur van Vluchtelingenwerk Nederland op 3 november 2005 aan de Rotterdamse detentieboot bracht, wordt door hem, in de Volkskrant van 4 november 2005, eveneens verhaald dat hij daar overlevenden aantrof in dezelfde kleding als van de nacht van de ramp.
61.3. En nog op 8 november 2005 schrijft de Volkskrant in dit verband:
"Een aantal overlevenden heeft geen schone kleding ontvangen ..."
En:
"Ruim een week later lopen sommige gevangen die wisten te ontsnappen aan de vuurzee nog steeds in hetzelfde kloffie, vertellen ze."
Zodat, volgens getuigenverklaringen van overlevenden zelf, dus zelfs omstreeks die datum overlevenden nog steeds noodgedwongen in de kleding van de rampnacht rondliepen. 61.4. Deze getuigenissen worden, op 10 november 2005, door minister Donner in de Tweede Kamer ontkend. Iedereen zou, binnen twee dagen na de brand, schone kleren hebben gekregen. 61.5. Daar tegenover staan hier echter onafhankelijk van elkaar verstrekte getuigenissen van overlevenden vanuit verschillende detentiekampen, die dit tegenspreken.
De kans dat de betrokken overlevenden, die onderling niet met elkaar in kontakt staan, zich in verschillende detentiecentra bevinden, en ook op dit punt separaat van elkaar tot dezelfde verklaringen komen, op dit punt allemaal onwaarheid zouden verkondigen, en niet de minister, moet als volstrekt onwaarschijnlijk worden ingeschat.
61.6. Het, dag in dag uit, laten zitten van de overlevenden, na een dergelijke afschuwelijke en traumatiserende ramp, zonder verschoning en in de kleren die hen, dag in dag uit, weer aan de ramp herinneren, getuigt van een dergelijke extreme verwaarlozing, dat ook op dit expliciete punt slechts kan worden gesproken van een wrede en onmenselijke behandeling. 62. Het verdwijnen van geld, persoonlijke eigendommen en bezittingen na de ramp, zonder aanstalte tot compensatie en genoegdoening van de zijde van de ministers Donner en Verdonk
62.1. Op 4 november 2005 meldt de directeur van Vluchtelingenwerk Nederland Nazarski in de Volkskant, na bovengenoemd bezoek aan de detentieboot in Rotterdam, dat een aantal overlevenden nog steeds hun eigendommen niet terug hebben.
62.2. Nog op 22 november 2005 maakt de Nigeriaanse overlevende Oye Adepeju in Kamp Zeist kenbaar dat hij nog altijd zijn bagage niet terug heeft, onder anderen zijn trouwbijbel, trouwpak, trouwfoto-reportage en een tas met kleren. 62.3. In het vonnis van rechtbank Den Haag (zp. Amsterdam) van 8 november 2005, inzake de Tanzaniaanse overlevende A, reg.nr. AWB 05/47715, die naar Kamp Zeist werd overgeplaatst, wordt ook met betrekking tot deze overlevende op dit punt overwogen:
"Tenslotte verzoekt eiser om teruggave van zijn bagage en geld."
62.4. Meerdere overlevenden missen dus, soms weken na de brand, nog steeds geld of goederen.
62.5. Opvallend is dat de ministers Donner en Verdonk dit in rechtszaken niet durven te weerspreken. Integendeel, zij proberen hier, via hun procesvertegenwoordigers, de rechter te paaien door onmiddelijk toezeggingen te doen om een en ander uit te zoeken.
Zoals in de hierboven genoemde rechtszaak, waarin op dit punt door de rechter werd overwogen:
"Voor zover zaken niet, dan wel niet goed zijn geregeld, zoals onduidelijkheid rondom de door eiser gestelde (...) afgifte van zijn geld, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting van 3 november 2005 toegezegd dat zij, naar aanleiding van deze zitting, deze zaken onmiddellijk onder de aandacht zal brengen van de daarvoor verantwoordelijke personen in het DTC Zeist."
62.6. Hun pogingen om daarmee voor de rechter weg te komen, slaagden niet. In ieder geval Kamp Zeist werd door de rechter vooralsnog, mede op deze grond, als detentie-plaats voor de betrokkene gediskwalifi- ceerd.
62.7. Vooralsnog ziet het ernaar uit dat een aantal overlevenden van de ramp, onder verantwoordelijkheid van minister Donner en minister Verdonk, van staatswege zijn beroofd van geld en andere bezittingen, dan wel dat geld en/of goederen van de overlevenden opzettelijk zijn verduisterd, of tenminste als gevolg van onzorgvuldigheid en nalatigheid van staatswege zoek zijn geraakt.
62.8. Cruciaal voor het feit om tot het oordeel te komen dat ook hier aspecten van een wrede en onmenselijke bejegening in het geding zijn, is de vaststelling dat de ministers Donner en Verdonk hier geen enkele aanstalte maken om tot compensatie over te gaan.
Al hetgeen hierboven, in deze aangifte, wordt aangevoerd, kan, sepraat en in onderling verband, niet anders worden aangemerkt dan als een mensonterende bejegening door de minister van Justitie Donner en de minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk van mensen, in casu van illegale vreemdelingen.
Een onmenselijke bejegening van deze mensen voor wat betreft de periode vóór de afschuwelijke ramp en, des te meer nog, van diezelfde mensen - thans slachtoffer en overlevende van de verschrikkelijke brand - tijdens en ná de ramp.
Deze onmenselijke bejegening
- die zelfs geresulteerd heeft in dood door schuld van de zijde van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk voor wat betreft de dodelijke slachtoffers van deze brand, alsmede in medeplichtigheid van deze ministers aan zwaar lichamelijk letsel voor wat betreft de gewonden die hierbij zijn gevallen -
dient,
hetzij op de verschillende onderdelen van deze aangifte, hetzij op meerdere onderdelen van deze aangifte in gezamenlijkheid,
dan gekwalificeerd te worden als een ' wrede en onmenselijke behandeling ' van de uiteindelijke slachtoffers van deze brand door minister van Justitie Donner en de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk, in de zin van het Anti-Folterverdrag (AFV) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).
Ten aanzien van het onderhavige verzoek om vervolging in te stellen wijzen verzoekers er tenslotte op dat in het kort geding dat half november tegen de Staat werd aangespannen terzake van het onrechtmatigerwijs verwijderen van spandoeken, gericht tegen de onderhavige gestelde verantwoordelijkheid aan dood door schuld van minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam, bij vonnis van 24 november 2005, onder meer werd benadrukt dat het geenszins vaststaat dat de ministers hier niet op ontoelaatbare manier in gebreke zijn gebleven:
"Zolang dit niet is aangetoond, moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de staat tekort is geschoten in de zorg voor deze gedetineerden, wat een zeer ernstige misstand zou opleveren ." (benadrukking toegevoegd).
Een tweede punt waar degenen die deze aangifte doen tenslotte nog de nadruk op wensen te leggen is, dat inmiddels nog recentelijk, namelijk bij vonnis van 1 november 2005, door de rechtbank te Den Haag werd bepaald dat de minister van Defensie niet aan de op hem rustende zorgplicht had voldaan ten aanzien van een Dutchbatter die in Srebrenica getraumatiseerd was geraakt als gevolg van een granaatinslag, en deswege aansprakelijk was jegens deze getraumatiseerde militair, nu de minister de militairen zonder een goede analyse van de risico's, met een te beperkt mandaat en met onvoldoende middelen naar Srebrenica had gestuurd.
Des te meer is in het onderhavige geval van de catastrofale Schipholbrand sprake van een - in dit geval opzettelijk en willens en wetens - totaal ingebreke blijven van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk ten aanzien van lijf en goed van de betrokken opgeslotenen!
Mitsdien verzoek ik u, als gemachtigde van de navolgende personen:
Jacobus Pieter van Melle , wonende te Amsterdam Alida Cornelia Jansen , wonende te Zwolle Ellen Harriet Postmus , wonende te Zwolle Pieter Rietman , wonende te Amstelveen Wencke Joshephine Hermanus Robben , wonende te Arnhem, Nevi Igli , wonende te Enschede Mariette Moors , wonende te Geldrop Diane Egtberts , wonende te Drachten Johannes Wilhelmus Henneman , wonende te Heemskerk Martijn Christiaan Pruijser , wonende te Amsterdam Arnold Helmantel , wonende te Gorredijk Bas Thijs , wonende te Eindhoven Arthur Elzinga , wonende te Haarlem Luk Brusselaars , wonende te Kuitaart Maria Hubertina Petronella Gerarda Wiertz , wonende te Zeist Paulien van Eijndhoven , wonende te Waalre Christiana Alberdina Kohdeson , wonende te Wilnis Nelly Koetsier , wonende te Amsterdam Andy Mardenborough , wonende te Axel Catherina Cecilia van de Donk , wonende te Eindhoven Nico Dekker , wonende te Amsterdam Erik Theodorus Hummels , wonende te Zeist Mark Klaas Akkerman , wonende te Den Dolder Wendie Johanna Jacoba Verberne , wonende te Utrecht Fedde Hettinga , wonende te Amsterdam Antonie Willem Rietman , wonende te Vlissingen Niels Veldhoen , wonende te Duiven Izabel Miaskiewicz , wonende te Warschau (Polen) Giorgio de Leeuw , wonende Hiversum Rachid van Holst , wonende te Amsterdam
tegen minister van Justitie Donner en tegen minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk vervolging in te stellen wegens het onderwerpen van de slachtoffers van de brand op Schiphol-Oost aan een zodanige onmenselijke bejegening, zelfs resulterend in dood door schuld en medeplichtigheid aan zwaar lichamelijk letsel, dat een en ander gekwalificeerd moet worden als ' een wrede en onmenselijke behandeling ' in de zin van artikel 16 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag - AFV) en in de zin van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR).
Een aantal van de personen die hierbij aangifte doen tegen de minister van Jusitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zijn vrienden, familieleden, dan wel verwanten van de slachtoffers van de ramp.
Anderen treden op als hulpverleners jegens ongedocumenteerde mensen, en schamen zich, bij de ervaringen die zij hierbij opdoen, vandaag de dag om Nederlanders te zijn.
Directe slachtoffers van de ramp, die mede deze aangifte zouden hebben willen verrichten, is dit uitdrukkelijk ontraden, voor zover zij zich nog binnen de machtssfeer bevinden van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk.
Als gemachtigde van degenen die hierbij deze aangifte verrichten, kondig ik voorts aan dat het mogelijk is dat, in de nabije toekomst, aanvullend, personen die behoren tot de ruim 8000 burgers namens wie inmiddels door het bestuur van de Stichting Een Royaal Gebaar om een onderzoek door het OM is gevraagd omtrent dood door schuld en het bezigen van een wrede en onmenselijke behandeling van de zijde van minister van justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, zich ook nog expiciet persoonlijk als steller van aangifte, via ondergetekende als gemachtigde, zullen voegen.
En tenslotte zal deze aangifte, op korte termijn, nog worden aangevuld met nadere persoonlijke getuigenissen van overlevenden, alsmede met feiten omtrent de onderwerpelijke wrede en onmenselijke behandeling, die zich met het voortschrijden van de tijd zullen voortdoen, dan wel na dagtekening van deze aangifte zich inmiddels al hebben voorgedaan.
Ik verzoek u hierbij om een ontvangstbevestiging van deze aangifte. N.M.P. Steijnen, gemachtigde
|
Home ![]() |