aanklacht

 

 

 

Advocatenkantoor Steijnen, Olof & Stelling

Couwenhoven 52-05

3703 ER Zeist

tel. 030-6956867

email: sagitar@hetnet.nl

 

Aan de Hoofdofficier van Justitie

van het ressort Haarlem

de heer mr. B.W.J. Steensma

Postbus 601

2003 RP Haarlem

 

 

Aan de Hoofdofficier van Justitie

van het ressort Den Haag

de heer mr. H.J. Moraal

Postbus 20302

2500 EH Den Haag

2 december 2005

 

Geachte heer/mevrouw,

 

Hierbij verzoek ik u, als gemachtigde van de aan de voet van deze aangifte nader genoemde personen, tegen de minis­ter van Justitie Donner en de minister van Integratie en Vreemdelin­genbeleid Verdonk vervolging in te stellen wegens het onder­werpen van perso­nen aan een wrede en onmenselijke behande­ling in de zin van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Anti-Folterverdrag (AFV).

Van deze wrede en onmenselijke behandeling maken zelfs gedra­gingen en nalatigheden van de minister van Justitie Donner en de minister voor Vreemdeli­ngenzaken Verdonk deel uit, die van een zodanige aard zijn dat zij hebben geleid tot dood door schu­ld, alsmede tot medeplichtigheid aan het toe­brengen van ern­stig licha­me­lijk let­sel.

 

Reeds thans is, op basis van publiek kenbare en publiek beken­de gegevens, voldoende duidelijk dat de verantwoordelijke minister van Justitie Donner en de verantwoordelijke minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk zich jegens de slachtoffers en overlevenden van de catastrofele brand in het detentie-centrum Schiphol-Oost schuldig hebben gemaakt aan 'een wrede en onmen­selijke behandeling' in de zin van het Anti-Folterverdrag.

 

Derhalve is het niet nodig, en daarmee ook onwenselijk, om dienaangaande eerst de uitkomst van aangekondigde onderzoeken af te wachten.

De reeds bekende feiten spreken hier voor zich.

 

Strafrechtelijke vervolging van minister van Justitie Donner en van de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk dient dan ook, in het licht van de ernstige strafbare feiten in het kader van het Anti-Folterverdrag waaraan zij zich jegens de slachof­fers en overlevenden van de catastrofe op Schiphol hebben schuldig gemaakt, zo spoedig mogelijk ter hand te worden genomen.

 

Dit om de door hun misdadige optreden geschokte rechtsorde te herstellen.

En als een eerste aanzet om Nederland als rechts­staat weer opnieuw op de kaart te zetten.

 

 

Een en ander is daarbij gebaseerd op de navolgende gronden:

 

 

A. WREDE EN ONMENSELIJKE BEHANDELING VAN DE ZIJDE VAN MINIS­TER VAN JUSTITIE DONNER EN MINISTER VOOR VREEMDELINGENZA­KEN VERDONK JEGENS DE SLACHTOFFERS EN OVERLEVENDEN VOOR EN TIJDENS DE RAMP

 

 

1. Iedere menselijkheid zoek

 

1.1. Op de achtergrond van de gruwelijke brand, die op 27 okto­ber 2005 in het deten­tiecentrum Schiphol-Oost pla­ats­vond, waarbij elf mensen een verschrikkelijke dood vonden en vijftien mensen gewond raakten, waar­van één zwaar, en en waarvoor minister van Justitie Donner en minis­ter voor Vreemd­elingenzaken Verdonk een straf­rechte­lij­ke verant­woordelijkheid dragen wegens het onderwer­pen van personen aan een wrede en onmense­lijke behan­deling

 

- waarbij er zelfs sprake is geweest van zoda­nige gedra­gingen en nalatigheden dat zij hebben geleid tot dood door schuld, alsmede het toe­brengen van ern­stig lichame­lijk letsel -

 

staat een keihard repres­sief be­leid, uitge­voerd door diezelfde minister van Justitie Donner en minister voor Vreem­delingenzaken Ver­donk, tegen vreem­de­lingen die ille­gaal zijn verklaard.

Iedere mense­lijk­heid is bij dit beleid zoek.

 

2. Dood door schuld als een functie van wrede en onmen­selij­ke behandeling

 

2.1. Kern van deze aangifte vormt het feit dat minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingen­zaken Verdonk zich jegens de slachtoffers schuldig hebben gemaakt aan een wrede en onmenselijke behan­deling in de zin van het Anti-Folterverdrag (AFV), en dat ook hun rechtstreekse verantwoor­delijheid voor de dood door schuld jegens, alsmede het toe­brengen van ernstig licha­me­lijk letsel aan, de slac­htoffers en overle­venden van deze gruwelijke brand als zodanig moeten worden gezien als onderdeel van, en voortvloeiend uit, deze wrede en onmen­selij­ke behandeling.

 

2.1. Niet het zelfstandige delictskarakter van dood door schuld, alsmede het toebrengen ernstig lichamelijk letsel voor wat betreft de slachtoffers van deze brand staat hier dan ook voorop.

Maar bepa­lend is hier het feit dat deze delicten fungeren als onder­deel van - en als zodanig deel uitmaken van - een breder complex van hande­lingen en nalatigheden, die tesamen een delict naar inter­nati­onaal huma­ni­tair recht vormen, in casu het onderwer­pen van dege­nen die - uiteindelijk - deze gruwe­lijke brand aan den lijve te erva­ren kregen aan een wrede en onmenselij­ke behande­ling.

 

3. Het onderwerpen van onschuldige mensen aan een zwaa­rder detentieregime dan gewone criminelen

 

3.1. Binnen het aldus aangegeven kader is minister van Justi­tie Donner rechtstreeks verantwoor­de­lijk voor de oprich­ting, instandhouding en uitbreiding met steeds weer nieuwe units van het uitzet- en deten­tiecentrum Schip­hol-Oost, met name (ook) bestemd voor de op­sluiting van onschuldi­ge mensen, die hem, noch wie dan ook in de Nederlandse samen­le­ving, ook maar iets hebben misdaan, in casu 'vreemdelingen'.

 

3.2. Het gaat hier dan om vreemdelingen, die geen enkel straf­baar feit hebben gepleegd. Maar die nochtans in vreemde­lingendetentie worden onderworpen aan een regiem en aan detentieomstandigheden die veel zwaar­der zijn dan in straf­gevangenissen en in huizen van bewaring geldt.

 

3.3. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er re­cht­streeks verantwoordelijk voor dat het gruwel­com­plex Schiphol-Oost, waarin op 27 oktober 11 men­sen levend verbrand­den, met concre­te mensen van vlees en bloed, die daar gevan­gen worden gehouden, werd ge­vuld.

Een groot deel daarvan heeft zich aan geen enkel misdrijf schuldig gemaakt en is dus totaal onschul­dig.

 

4. Op kosten van de veiligheid zo goedkoop mogelijke opsluiting

 

4.1. Minister van Justitie Donner is rechtstreeks verant­woor­delijk voor het feit dat deze voorziening, met name ook bestemd om onschuldige mensen onder mens­onterende omstan­digheden uit onze maatschappij ver­wijderd te houden en van hun vrijheid te beroven, zo goedkoop mogelijk werd gecon­strueerd en gerund, waarbij hij zich aan te stellen bouwtechnische eisen van brandveiligheid niets gelegen liet liggen.

4.2. Bij het streven om de kosten van dit soort voorzie­ningen voor met name (ook) vreemdelingenbewaring zo laag moge­lijk te houden, werd het bewuste complex, dat begin 2003 werd opgeleverd, in de vorm van pre­fab unitbouw gereali­seerd. Dit als een zo snel en zo goedkoop moge­lijke oplossing om zo veel mogelijk cellen te creëren, met in principe vrijwel onbeperk­te uitbouwmogelijkheden.

 

4.3. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er re­cht­streeks verantwoordelijk voor dat concrete on­schuldige mensen van vlees en bloed werden gedwongen om opsluiting in dit complex Schiphol-Oost, dat volstrekt niet voldeed aan te stellen bouwtechnische eisen van brandveilig­heid, te ondergaan.

 

5. Opzettelijk en strafbaar verzuim ten aanzien van de brandveiligheid

 

5.1. Minister van Justitie Donner is er rechtstreeks verant­woordelijk voor dat, hoewel in dit complex waarin on­schuldige mensen ter opsluiting werden weggeborgen reeds twee keer eerder brand had gewoed, zodat hij ook reeds daarom voldoende gewaarschuwd was voor de gevaren waaraan mensen die in dit com­plex opgesloten worden zouden zijn blootgesteld, dit complex niettemin, als plek waar mensen van staats­wege worden gedwongen om in opslui­ting te leven, door hem in gebruik werd genomen en in gebruik werd gehouden.

 

5.2. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er re­cht­streeks verantwoordelijk voor dat zij, ondanks deze eerdere branden, niet aarzelde om dit complex met con­crete, voor een groot deel onschuldige mensen van vlees en bloed op te vullen, in de volle weten­schap dat die daar bij een nieuwe brand geen kant op zouden kunnen.

 

5.3. Minister van Justitie Donner is er rechtstreeks verant­woordelijk voor dat, na de eerste grote brand in het complex, toen er godzijdank nog geen mensen gedwongen waren om daar verblijf te houden, de waar­schuwingen en klemmende aanbevelingen van het NIBRA, het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbe­strijding, inhouden­de:

 

- de bouwtechnische constructie moet zodanig worden gewij­zigd en uitgevoerd dat alle cellen ten opzichte van elkaar tenminste 30 minuten brandvertragend zijn;

- ook voor het overige moet de bouwtechnische con­stru­ctie van het complex zodanig worden gewijzigd en uitgevoerd dat ook alle overige ruimten ten opzichte van de cellen 30 minuten brandvertragend zijn;

- elke cel moet voorzien zijn van een brandmel­der;

- alle brandmelders moeten op hun beurt weer doorge­koppeld worden naar een regionale brand­melding,

 

in elk geval op essentiële onderdelen werden gene­geerd.

5.4. Deskundigen zijn het erover eens dat, waren deze aanbeve­lingen wél integraal uitgevoerd, niet binnen de tijd dat de gruwelijke brand van 27 oktober 2005 in vleugel K van het complex heeft gewoed, 11 cellen hadden kunnen uitbranden. Tenzij in het uiterst onwaar­schijnlijke geval dat op meerdere plaatsen tegelijk in de betrokken cellen brand zou zijn uit­gebroken of op meerdere plaatsen tege­lijk kortslui­ting zou zijn ontstaan, waarvoor trou­wens elke aan­wijzing ontbreekt.

5.5. Bij een adequaat werkende brandvertraging van 30 minuten tussen de aanliggende cellen onderling, alsmede tussen de cellen en alle overige ruimten van het complex, had de brand die om zich heen greep niet het dramati­sche effect in de 11 cellen gehad, als alle door het NIBRA voorge­schreven aanbe­velingen inderdaad op een integere manier zouden zijn uitge­voerd.

 

5.6. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt Harry van Zandwijk aan het woord, directeur van een van de leveranciers van de containers, waaruit het cellencomplex Schiphol-Oost is samengesteld.

Hij stelt dat de wanden van de cellen, die volgens de be­schrijving van de Leeuwarder Courant bestaan 'uit onder meer alumunium­plaat, glaswol en triplex', een half uur brandwerend zouden zijn, 'zoals de regels gebieden'.

 

De Leeuwarder Courant vervolgt dan:

 

"Volgens hem zijn er TNO-rapporten die dat kunnen aantonen, maar TNO zegt dat het iets anders ligt. Er bestaan weliswaar rapporten, maar die hebben betrek­king op containerunits waaruit het detentiecentrum Zeist is opgebouwd. Bovenop de units wordt een zwe­vend tropendak geplaatst. Ook tussen de cellen is ruimte. Over deze loze ruimten velt het Nederlands Instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Ni- b­ra) in december 2002 een vernietigend oordeel. Aan­leiding is een brand op 30 november in vleugel C van het gebouw, die dan nog in aanbouw en onbewoond is. Vooral door de ruimten boven en tussen de cellen grijpt het vuur flink om zich heen. Om het complex brandveilig te maken, moet dat verholpen worden, aldus het Nibra. Het is nog steeds onduidelijk of dat ook gebeurd is."

 

5.7. De Telegraaf van 29 oktober 2005 weet te melden dat de cellen feitelijk metalen containers zijn, bekleed met houtplaat en kunststof, en stelt verder:

 

"Bij het bergen van de slachtoffers in hun cellen kreeg de brandweer gisteren aanwijzingen dat de cellen niet brandwerend waren. 'Een aantal mensen lag in hun cel versmolten in het plastic. De kunst­stof was door de hitte van de muren gedropen',aldus een ooggetuige."

 

En Trouw van 19 november 2005 meldt in dit verband dat de bekleding van de cellen grotendeels bestaat uit trespa, geperste platen van papier en houtve­zels, waarin een kunsthars is verwerkt. Bij verbran­ding daarvan kunnen giftige stoffen vrijkomen.

 

De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 vermeldt:

 

"De gevangenen klagen nog steeds over hoofdpijn."

 

Dit kan zeer wel een oorzaak vinden in het inademen van dergelijke giftige stoffen bij de brand.

 

5.8. Gesteld echter dat de wanden van de cellen inder­daad, in tweede instantie, voldoende brandwerend zouden zijn gemaakt, conform de aanbevelingen van het het NIBRA - en er zijn reeds aanstonds overtui­gende bewijzen van het tegendeel, die hieronder te berde zullen worden ge­bracht -, dan zou dit desal­niettemin nog allerminst betekenen dat daarmee ook zou zijn voldaan aan de aanbeveling van het NIBRA om de bouwtech­nische constructie van het com­plex zoda­nig te wijzigen dat ook alle overige ruimten ten opzichte van de celllen 30 minuten brandvertragend zouden zijn.

Niet alleen de snelheid waarmee het vuur zich ver­spreid­de, maar ook van elkaar onafhankelijke rappor­tages van vóór de catastrofale brand, als ook de getuigenissen van wat er gebeurde tijdens de brand, loochenstraffen dat dit het geval zou kunnen zijn geweest.

 

5.9. Op 1 november 2005 maakt de Telegraaf, onder de kop "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", in dit verband melding van de getuigenis van een brandweerman, die in het voor­jaar van 2005 in het complex een niet betaalde verkeers­boete uitzat:

 

"Nu zegt de hoogopgeleide brandweerman: 'Ik schrok enorm van wat ik er aantrof. Ik ben een bevoegd brandpreventiefunctionaris en bevelvoerder; dit complex had nooit, maar dan ook nooit goedkeuring mogen krijgen.' Het eerste wat opviel was de onver­draaglijke hitte in de celcontainers, waaruit het complex bestaat. 'Zelfs in zwembroek liep het zweet je van de rug. De kachel in de wand was witheet, de thermostaat werkte niet. Ik riep een bewaarder, maar die vertelde dat de technische man er pas maandag was. Omdat ik brandweerman ben, mocht ik zelf kij­ken..' Hij zegt op dát moment in de technische ruim­te een vooruitblik te hebben gekregen op de ramp. 'Alle cellen bleken aangesloten op een ventilatieka­naal dat uitkwam in de technische ruimte. Bij brand door kortsluiting kon vuur zich explosief verbrei­den. Ik heb gezegd: joh, dit is hartstikke illegaal! De bewaker haalde zijn schouders op. Mijn verbazing werd nog groter toen ik de electrische installatie bekeek, een sterk verouderd type, waarbij de zeke­ringen waren overbrugd. Levensgevaarlijk! Terwijl er een zekering in mocht van maximaal 16 ampère, zat er een van 25 in. Er kon zo enorm veel stroom door, dat draden smolten van de warmte."

 

5.10. Alle gedetineerden in de K-vleugel die de brand overleefd hebben, maakten er melding van hoe rook via het ventila­tiekanaal hun cel binnen­drong. Het­geen demonstreert dat tenminste (ook) op dit crucia­le punt adequate verbeterin­gen waren uitgebleven.

 

5.11. De Telegraaf van 5 november 2005 laat de overlevende van de brand, de Roe­meen Raul Haim aan het woord, die in dit ver­band stelde:

 

"We hebben de dood in de ogen gekeken. Ik ben nog altijd in een shock. De rook werd via het ventila­tiesysteem onze cel ingepompt."

 

5.12. De Telegraaf van 1 november 2005 vervolgt zijn arti­kel, onder de kop "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", met een andere getuigenis:

 

"Ook een 39-jarige timmerman, die de bouw van de cellen coördineerde, reageert geschokt. Maar ook voor hem kwam de razendsnelle vuurzee niet als een verrassing. 'Al tijdens de bouw heb ik gewaarschuwd dat de cellen levensgevaarlijk waren door gebruik van brandgevaarlijk materiaal. Ze wilden niet luis­teren. Snel en goedkoop was het motto. Ik moest mijn mond houden, doorwerken en me aan de bouwtekening houden', aldus de timmerman, die uit vrees voor ontslag anoniem wil blijven. Het detentiecentrum bestaat uit aan elkaar gekoppelde containers gefa­briceerd door de Oostenrijkse firma Containex. De containers zijn in Nederland in rap tempo afgetim­merd en vervolgens overgebracht naar Schiphol-Oost. Wij moesten er een echte cel van maken. 'Ik heb wan­den geplaatst, de stalen deuren gemonteerd, net als het bed, de wc en de tafel', zegt de timmerman. Op Schiphol-Oost werden de cellen in rijen van 13 op zestig centimeter hoge schragen geplaatst en over­kapt met een soort zwevend dak. Ook tussen de cellen was ruimte. 'Dat is gevaarlijk bij brand. Die kan dan gemakkelijk overslaan. En hoe meer zuurstof hoe feller een brand.'"

 

5.13. En de eerder geciteerde brandweerman verklaarde in dit verband nog, aldus de Telegraaf van 1 november 2005:

 

"Dat het pand wel was goedgekeurd, noemt hij onbe­grijpelijk. 'Elke brandweerspecialist had er de vloer mee moeten aanvegen. Aanpassen of direct ont­ruimen, dat had het oordeel moeten zijn. Een brand kon alleen maar leiden tot een ramp, en dat is het ook geworden.'"

 

5.14. Dat echter ook aan de aanbeveling van het NIBRA om de cellen onderling voor tenminste 30 minuten brand­vertra­gend te maken geenszins een passende uitvoe­ring was gegeven, wordt onomstotelijk aan het licht gebracht door een onderzoek dat half november 2005 door de brandweer van de gemeente Haarlemmermeer werd uitgevoerd. In elk geval voor wat betreft de vleugels L en M van het complex werd daarbij vastge­steld dat de scheidingswanden niet gedurende 30 brandwerend waren.

 

De NRC van 25 november 2005 meldde, onder de kop "Cellen­complex blijft gebreken vertonen", dat Rijks­gebouwen­dienst (RGD) had laten weten dat verbeterin­gen snel zouden kunnen worden uitgevoerd, maar dat vanuit de gemeente Haarlemmermeer daar het volgende tegenover werd gesteld:

 

"Er moeten zo spoedig mogelijk 24 uur per dag tien bedrijfshulpverleners paraat zijn, vindt de brand­weer. Tot die tijd is op het terrein een brandweer­wagen gestationeerd."

 

5.15. Ook hier, zelfs in deze fase van het treurspel de­tentie­complex Schiphol-Oost, presteerde de directie van deze instelling het om, onder rechtstreekse verantwoordelijk­heid van minis­ter van Justitie Don­ner, schaamteloos te blijven chicane­ren bij de uit­voering van deze noodmaatregel, op kosten van de veiligheid van de gedetineerden.

Omtrent deze door de gemeente Haarlemmermeer geëiste permanente aanwezigheid van tien bedrijfshulpverle­ners meldde Trouw van 26 november 2005:

 

"Bij controle ontdekte de brandweer dat die er al­leen 's nachts waren."

 

Terwijl de NRC van 25 november 2005 in dit verband wist te melden:

 

"De directie van het detentiecentrum verkeerde in de veronderstelling dat de extra hulpverleners alleen 's nachts de wacht moesten houden."

 

5.16. Amnesty International stelt in diens Public State­ment van 8 november 2005, EUR 35/00­1/2005, op dit punt, na te hebben vastgesteld dat red­ding van de ingeslotenen onder meer faalde door gebrek aan trai­ning van het personeel:

 

"Additionally, the alleged lack of fireproof doors in the centre allowed the fire to spread more quic­kly."

 

5.17. Berichten van de plaatselijke brandweer, onmid­delijk na de brand, dat aan de te stellen eisen van brand­veiligheid zou zijn voldaan, hebben dan ook in elk geval geen be­trekking op het voldoende brandwerend maken van de cellen onderling en ten opzichte van alle ruimten waarmee ver­bindingen bestaan, dan wel demonstreren slechts incompe­tentie.

 

6. Opzettelijk in permanent levensgevaar brengen als gevolg van levensbedreigende bouwtechnische gebreken als functie van een wrede en onmenselijke behande­ling

 

6.1. Willens en wetens schiep minister Donner, door dit com­plex dat aldus was behept met levensbedreigende bouw­technische gebreken, te handhaven, in stand te houden en uit te breiden met nieuwe units, aldus opzettelijk de mogelijkheid dat opgeslotenen daar­door om het leven zouden komen.

Dit als onderdeel van een wrede en onmenselijke

behandeling.

 

6.2. Minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk is er re­cht­streeks verantwoordelijk voor dat het complex, ondanks deze levensbedreigende bouwtechni­sche gebre­ken, met mensen werd gevuld.

Willens en wetens bracht zij daarmee concrete mensen van vlees en bloed, die door haar aan een gedwongen verblijf in het complex werden onderworpen, in een permanen­te situatie van levensge­vaar.

 

6.3. Niet alleen cruciale aanbevelingen van het NIBRA tot het aanbrengen van adequate bouwtechnische bandwe­rende voor­zieningen werden op kritieke punten door minister van Justitie Donner in de wind geslagen, hoewel hij, op grond van de eerdere branden, zeer wel bekend was met de brand­gevaarlijkheid van het complex, ook de aanbevelingen van een later onder­zoek naar de brandveiligheid, uitgevoerd door de Commmissie Toezicht Detentieplaatsen o.l.v. de heer J. Siepel, werden op cruciale punten door minister van Justitie Donner genegeerd, waaronder met name de aanbeveling om het complex te voorzien van een cen­traal celdeurontgrendelingsssysteem.

 

7. Goedkope bouwtechnieken, opzettelijke onderbezet­ting en het laten optreden van onvoldoende gekwali­ficeerd personeel ten koste van de veiligheid

 

7.1. Het is voorts van openbare bekendheid, en als zoda­nig ook niet voor tegenspraak vatbaar, dat het doel­be­wust en doelge­richt het oogmerk vorm­de van de minister van Justi­tie Donner en van de minister voor Vreemdelinge­nzaken Verdonk, om de enorme schaal­ver­groting van deten­tie- en uitzetvoorzieningen voor vreemde­lin­gen, die de laatste jaren door hen werd gereali­seerd, als­mede ook het daarbij behorende apparaat, zo goedkoop moge­lijk te houden.

Dit ten koste van de veiligheid, alsmede ten koste van een menselijke behandeling en een menswaardige bejegening van die vreemdelin­gen, die in hun handen vallen.

 

7.2. De uitzetcentra (UC's) vormen daarbij een onderdeel van het Veiligheids­programma 'Naar een Veiliger Samenleving', waarin onder anderen meer celcapaci­teit en een snellere verwijdering van vreemdelingen als beleidsdoelstelling worden uitge­werkt, en waar­bij deze koppeling tussen 'vreemdeling' en 'veili­ger samenleving', in de contekst van een explo­sieve toena­me van het aantal beoogde deten­tieplaatsen voor illegale vreemdelingen tot in totaal 21.000, in penitentiaire in­rich­tin­gen, politiebu­reau's, ver­trekcentra, uitzetcen­tra, grens­hospi­tia en detentie­boten, bijdraagt aan een verdere negatieve beeld­vorming over migranten en vreemde­lingen.

 

7.3. Bij de enorme uitbouw van detentievoorzieningen voor vreemde­lingenbewaring en vreemdelingenuit­zetting, die door minis­ter van Justitie Donner en minister voor Vree­mdeli­ngenz­aken Verdonk in korte tijd tot stand werd gebracht, werd dus voorop gesteld dat dit zo goedkoop mogelijk moest gebeuren. Vandaar dat naar omgebouwde containers werd gegrepen, die in schakel­bouw konden worden neerge­zet. In het artikel "Goedkoop en Hartstikke Illegaal", in de Telegraaf van 1 november 2005, geeft de brandweerman die van binnen uit met het Schip­hol-complex te maken kreeg als zijn conclu­sie op dit punt:

 

"Dat complex was spotgoedkoop gebouwd".

 

Terwijl de timmernam die in dit artikel eveneens aan het woord komt aangeeft hoe de aangeleverde contai­ners 'in rap tempo werden afgetimmerd' en aan elkaar werden gekop­peld.

 

7.4. Het veiligheidsrisico voor de opgeslotenen werd daarbij met name nog verder verhoogd door­dat minis­ter van Justi­tie Donner en minister van Vreemde­lin­genzaken met betrek­king tot deze categorie inrich­tingen een beleid voerden, waarbij minder, goed­koper en minder gekwalifi­ceerd perso­neel wordt inge­zet dan gebrui­kelijk in denten­tie-instel­lingen.

 

7.5. Het gaat daarbij om een grootschalige inzet van perso­neel, vaak via uitzendbureau's aangetrokken, dan wel via Securicor ingehuurd, dat na een korte cursus op de gede­tineer­den wordt losgelaten.

 

De dienst van Justitie die zich met dit segment bezig houdt, wordt door de ABVA/KABO gekwalificeerd als 'een vrijstaat', waarin wordt geëxperimenteerd met zo goedkoop mogelijke werkvormen.

 

7.6. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt in dit verband een getuige­nis aan de orde van een gedetineerde en een bewaarder uit het Schiphol-com­plex:

 

"Over het personeel maakten de gevangenen zich meer zorgen. 'Als je hen belde, duurde het soms wel twin­tig minuten tot een half uur voordat ze kwamen opda­gen', verklaart een vrouwelijke gedetineerde uit vleugel J. 'Ze waren agressief en scholden iedereen uit voor bolletjesslikker.'

Een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen bevestigt dat het er in de detentiecentra niet al­tijd zachtzinnig aan toe gaat. Vooral de mensen van het particuliere beveiligingsbedrijf Securicor moe­ten het ontgelden. 'Ze kunnen de deur opendoen en iemand zijn eten geven, maar dat is het dan ook.'"

 

En:

 

"Veel van zijn collega's hebben geen greintje res­pect voor de gedetineerden, zegt hij. 'Vooral de vluchtelingen worden continu uitgescholden. Ga terug naar je eigen land, dat soort teksten. Er zijn zelfs collega's die de Hitler-groet brengen, recht voor hun neus. Het ergste dat ik heb gehoord is dat a-sie­lzoekers tijdens de ramadan om zeven uur vroegen om eten en thee. Ze kregen te horen dat ze maar even moesten wachten.'"

 

7.7. Daags na de brand getuigde een ex-bewaarder in de Tele­graaf van 29 oktober 2005:

 

"Gedetineerden die in hun cel op de bel drukten, kregen vaak geen reactie. Sommige belletjes deden het gewoon niet. Ook was er vaak niemand op de post om op het verzoek te reageren of werd het belletje gewoon genegeerd.'"

 

7.8. Aangezien veel aldus aangestelde 'bewaarders', door gebrek aan de noodzakelijke opleiding, veelal niet voor hun taak berekend zijn, en agressie, door de barre deten­tie-om­standighe­den, veelvul­dig voorkomt, is repressie de stan­daard-bejegening in detentiecom­plexen als Schiphol-Oost, en komen gevangen die als lastig worden ervaren onverbiddel­lijk in de isoleer­cel.

7.9. In een NOVA-uitzending in mei 2004 werd de forse kritiek die de OR van de Immigratie en Naturalisa­tiedienst (IND) leverde op de oplei­ding van perso­neel voor de nieuwe vertrekcen­tra onder de aandacht gebracht. Volgens de OR vertoonde het zogenaamde opleidingsprogramma 'schokkende tekortkomingen', zoals bleek uit een brief van de OR aan het hoofd van de IND, waar NOVA de hand op had gelegd.

 

Zo waren er volgens de OR geen werkinstructies voor de werknemers van de IND, was de opleiding technisch inge­richt zonder dat rekening wordt gehouden met de bijzonde­re situatie van uitgeprocedeerden en werd de veilig­heids­situatie en wat te doen bij crisis ner­gens genoemd.

 

Het ging hier om het opleidingsprogramma bedoeld voor ruim 160 werknemers van de IND, die in de nieu­we vertrek­centra zouden moeten gaan werken.

Voor de menselijke en emotionele kant van de zaak was dus, ook voor wat de nieuw op te leiden IND-functionaris­sen betreft, bij de opleiding geen pla­ats.

7.10. Ook alleen al deze beleidsmaatregelen van minister van Justitie Donner en minis­ter voor Vreemdelingen­beleid Verdonk om, voor deze categorie inrichtingen, met betrekking tot de hier opge­slotenen een bejege­nings­beleid te voeren van structurele onderbezet­ting, waarbij dan tegelijkertijd ook nog zwaar wordt ge­leund op personeel dat onvoldoende is gekwalifi- ­cee­rd, zijn op zichzelf al der­mate nala­tig, dat de rampzalige gevolgen van de brand, als functie van een wrede en onmenselijke bejegening jegens de slac­htoffers en overlevenden hiervan, reeds daarom strafrechtelijk voor hun rekening dient te worden gebracht.

 

7.11. De medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen, die in de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 aan het woord komt, stelt in dit verband:

 

"Van zijn collega's op Schiphol heeft hij verschrik­kelijke verhalen gehoord. Zo zou er 's nachts nie­mand aanwezig zijn bij de vluchtelingen. (...) 'Het brandalarm gaat er regelmatig af. Dat drukken de bewakers in negen van de tien gevallen weer weg.'"

 

7.12. Een aantal bronnen vermeldt dat, op de nacht van de ramp, drie bewakers aanwezig zouden zijn geweest op de K-vleu­gel, voor de bewaking van de in totaal 43 mensen die daar in cellen verble­ven.

 

Andere bronnen spreken niet van drie bewakers die die nacht op de K-vleugel aanwezig waren, maar slec­hts van 3 bewakers die die nacht voor de K-vleu­gel verantwoordelijk waren.

De Volkskrant, die op 5 november 2005 met een recon­struc­tie van de gebeurtenissen kwam, vermeldt hierin zelfs:

 

"De vleugels J en K hebben 's nachts geen toezicht."

8. Opzettelijke verwaarlozing ten aanzien van rampen­preventie en rampenbestrijding

 

8.1. Het bovengenoemde advies van de Commissie Toezicht Deten­tieplaatsen, onder leiding van de heer J. Sie­pel, resul­teerde, behalve in de aanbeveling tot het aanbrengen van een centraal deurontgrendelingssys­teem, ook nog in de aanbeveling om een brandveilig­heidsplan te maken en een evacuatieplan te ontwepen, en een en ander regelmatig te oefenen met het perso­neel.

 

8.2. Ook van deze laatste aanbeveling van de Commissie Toezicht detentieplaatsen kwam, onder de hier vige­rende condities, niets van terecht.

De Leeuwarder Courant van 15 november 2005 wist in dit verband te mel­den:

 

"Justitie heeft in het detentie- en uitzetcentrum op Schiphol-Oost de regels voor brandveiligheid jaren­lang stelselmatig overtreden. Brandwerende deuren stonden open en nooduitgangen waren afgesloten. Ook bleven boven rookwerende deuren ventilatieroosters aange­bracht, waardoor rook zich bij een brand snel kon verspreiden."

 

En:

 

"De brandweer stelt bij meerdere inspecties in 2003, 2004 en 2005 vast dat rook- en brandwerende deuren worden opengehouden. In de ruimtes van het OM, 'Ge-b­ouw 91', zijn aanduidingen voor vluchtroutes de­fect. Nooddeuren blijken alleen met een sleutel open te kunnen worden gemaakt.

Omdat de ventilatie in het gebouw niet optimaal is, doet Achmea Arbo in oktober 2004 onderzoek. De in­specteurs constateren dat er luchtroosters boven de rookwerende deuren zijn geplaatst, waardoor rook zich snel kan verspreiden. 'Hierdoor is er sprake van een sterk verhoogd letselrisico met mogelijke dodelijke afloop bij brand.'"

 

8.3. En de Telegraaf van 1 november 2005 meldt ook nog een andere ingebouwde fundamentele onveiligheid, vastgesteld door de brandweerman die in het voorjaar van 2005 een weekend in het cellencomplex Schiphol-Oost was gedeti­neerd:

 

"'De brandmelders bleken omgeleid via de meldkamer, zodat er niet gelijk een sein naar de brandweer gaat. Ook dat mag niet, behalve als er continu personeeel om de vijf minuten polshoogte neemt. Maar in het weekeinde zaten ze er met z'n tweeën. Justi­tie heeft lak aan alle brandweervoorschriften...'"

 

8.4. Of beveiligingplannen en evacuatieplannen daad­werke­lijk op schrift zijn gekomen is vooralsnog onduide­lijk, maar essentieel is hier dat, ook als dergelij­ke plannen tot stand zouden zijn ge­bracht, zij dan in elk geval toch tot louter papier beperkt zijn gebleven, en het voor een groot deel onvoldoende gekwalificeerde personeel, dat een groot verloop kent, omtrent de inhoud daarvan niet werd geinfor­meerd, laat staan dat oefening en training van het perso­neel plaats­vond om dergelijke plan­nen, als ze al op papier waren gezet, in noodsitua­ties ten uit­voer te kunnen brengen.

 

8.5. Reeds op 29 oktober 2005 liet de Telegraaf anomieme bewaar­ders aan het woord, onder de kop "Het was wachten tot het fout ging":

 

"Het gisteren afgebrande cellencomplex op Schiphol was een tikkende tijdbom. 'Het was een kwestie van afwachten tot het mis zou gaan', zeggen gevangenis­bewaarders een dag na de brand, die aan elf vreemde­lingen het leven kostte. 'Het was een puinhoop', zegt de ex-bewaarder. 'Iedereen deed maar wat. Er zijn geen protocollen doorgenomen met het bewarend personeel over de brand. Als het misging, kon het maar één kant opgaan, namelijk heel erg mis.'"

 

8.6. Amnesty International stelde in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2­005:

 

"Amnesty International is concerned about allegati­ons that earlier recommendations by fire prevention officials may not have been carried out, such as the failure to provide sufficient training to personnel. Reports suggest that this may have resulted in a delayed response on behalf of the personnel to cries for help from detainees."

 

8.7. Geldt dit laatste met name voor het optreden van perso­neel voor wat betreft de vleugel waar de brand direkt woedde, het ziet ernaar uit dat voor wat betreft het uitsluiten van gevangenen in andere delen van het complex echter ook nog een heel andere factor voor vertraging daarbij zorgde. En wel de vrees voor ontsnapping van de gedetineerden.

In elk geval ontstond er, zo blijkt overtuigend uit de getui­genissen van de overlevenden, een synchroni­teit tussen het gearriveerd zijn van marechaus­see's ter ple­kke en het openen van de celdeuren.

 

8.8. Het gebrek aan heldere protocollen, dan wel onvol­doende kennis daarvan en/of oefening daarmee in situaties van brand, droeg ertoe bij dat het aanvan­ke­lijk ook met de bluswerk­zaamheden mis ging. Dit omdat brandweer en perso­neel van de inrichting, bij gebrek aan in­structies of althans aan oefe­ning, klaar­blijkelijk onvol­doende kennis van zaken had om de brandweerau­to's meteen recht­streeks naar de brand te leiden.

 

8.9. De reconstructie van de Volkskrant van 5 november 2005 ver­haalt:

 

"De eerste spuitwagen van de brandweer komt aan bij de Speedgate. Door die poort worden illegalen naar hun uitzet­vliegtuig gebracht. De poort is een sluis van twee hek­ken. De bluswagen rijdt de sluis in. Dan ontstaat een misverstand: het hek achter de wagen moet eerst dicht, voordat hij verder kan rijden. Dat gebeurt niet. 'Door dat gezeik zijn minuten voorbij­gegaan', zegt een brand­weerman."

8.10 En de Leeuwarder Courant van 17 november 2005 meldt:

 

"Bij de brand op Schiphol waar elf illegalen omkwa­men heeft de brandweer een hek rond het cellencom­plex moeten openknippen om bij de brandhaard te komen. Daarbij is kostbare tijd verloren gegaan."

 

Dit artikel meldt verder:

 

"Door het gat in het hek konden vervolgens elf ille­galen ontsnappen, van wie er nog vijf voortvluchting zijn."

 

8.11. De oud-bewaarder die in de Telegraaf van 29 oktober 2005, daags na de brand, aan het woord wordt gela­ten, stelt in dit kader ook nog:

 

"'Er waren geen materialen voor bedrijfshulpverle­ners. We moesten het doen met een branddeken. Meest­al waren er sowieso geen hulpverleners onder het bewarend personeel', zo somt de oud-bewaker zijn bedenkingen op."

 

8.12. En Trouw van 19 november 2005 berichtte:

 

"Justitie heeft het advies van brandbeveiligingsex­perts genegeerd om bewaarders van de cellen pers­luchtmaskers te geven."

 

8.13. Trouw van deze editie wijst er dan vervolgens op:

 

"Bewaarders die poogden gevangenen te bevrijden, moesten stoppen omdat ze in ademnood verkeerden."

 

8.14. Terwijl de Volkskrant van 31 oktober 2005, onder de kop "Leiding doof voor grieven bewa­kers", tenslotte in dit kader nog weet te ver­melden:

 

"Andere klachten die medewerkers hebben geuit zijn het gebrek aan personeel in de nachtdiensten en een tekort aan portofoons. De leiding heeft twee weken geleden de verbanddozen van een aantal units verwij­derd omdat ze 'onnodig zouden worden gebruikt en niet goed werden bijgevuld.'"

 

8.15. Het gaat hier om even zovele opzettelijke grove nalatig­heden en verwaarlozingen van de zijde van minister van Justitie Donner en minister voor Vreem­delingenzaken Verdonk.

 

9. Verdere evidente bewijzen van opzettelijk in levens­gevaar brengen van de opgeslotenen in Schiphol-Oost

 

9.1. Even verbijsterend als tekenend voor de volstrekt onver­ant­woorde opstelling van minister van Justitie Donner zijn ook de volgende voor hem buitengewoon belastende onthullin­gen, te berde gebracht door de Leeuwarder Cou­rant van 15 november 2005, ontleend aan een dossier van de gemeente Haarlemmermeer:

 

"Uit de stukken blijkt dat de brandweer en de ge­meente regelmatig botsten met justitie, dat gebrui­ker is van het complex op Schiphol-Oost. Justitie moest afgelopen mei tot twee keer toe een dwangsom van 1000 euro betalen omdat gebre­ken niet waren verholpen."

 

9.2. Trouw van 26 november 2005 stelde in dit kader:

 

"Haarlemmermeer heeft Justitie boetes van in totaal 3000 euro opgelegd, omdat bij herhaling rook- en brandwerende deuren in het uitzendcentrum open ston­den."

 

9.3. En de extreme en verbijsterende onverschilligheid van minister van Justitie voor de veiligheid van lijf en goed van de betrokken illegalen blijkt ook nog eens onomstote­lijk uit het navolgende, ontleend aan hetzelfde dossier van de gemeente Haarlemmer­meer, bekend gemaakt door de Leeuwarder Courant van 15 november 2005:

 

"Uit het dossier blijkt dat de gemeente onder grote druk stond van justitie en de Rijksgebouwendienst (RDG). Justitie dringt er meerdere keren op aan nog voordat het gebouw brandveilig is bevonden, een aantal cellen in gebruik te nemen. 'Het alternatief is het heenzenden van gedetineerden', schrijft pro­jectleider H. van Zanten van de RDG op 17 januari 2003 aan de gemeente.

Kort na ontvangst van deze brief treffen inspecteurs van de gemeente al gedetineerden in het complex aan. Justitie wordt gesommeerd de cellen te ontruimen. Dat gebeurt pas na dreiging met een dwangsom."

 

10. Moedwillige afsluiting van nooddeuren en nooduitgan­gen om ontsnapping van onschuldigen te voorkomen als functie van een wrede en onmenselijke behandeling

 

10.1. Dat nooduitgangen moedwillig waren afgesloten, wordt ook vastgesteld in de reconstructie van de ramp, waarmee de Volkskrant van 5 november 2005 kwam. Hier wordt vermeld dat drie deuren die toegang geven tot de verschillende 'compartimenten' van het complex op slot waren. En dat de sleutels daarvan zoek waren. 'Bewaarders zaten binnen opgesloten en kregen die deuren niet open', aldus de Volkskrant van 5 novem­ber 2005, die vervolgt:

 

"Bewaarders hadden de leiding al maanden voor de brand gewezen op de onveilige situatie in het com­plex."

 

En:

 

"Door het gerommel met het systeem gingen de deuren waarschijnlijk niet open bij de brand, zeggen de bewaarders. 'We zagen dit aankomen, maar niemand wilde luisteren.'"

 

10.2. De reden waarom de nooddeuren waren afgesloten wordt dan als volgt beschreven:

 

"De nooddeuren van de vleugels zouden door de afde­lingshoofden zijn ontkoppeld van het alarmsysteem. Het alarm ging te vaak af, vonden ze, en als die deuren open gingen nam de kans op onsnappingen toe."

 

10.3. Reeds op 31 oktober 2005 had de Volkskrant in dit verband aangegeven:

 

"De nooddeuren van in elk geval de vleugels J en K zouden zijn ontkoppeld van het alarmsysteem. Daar­door zouden de deuren bij brandalarm niet zijn open­gegaan. Bij een werkend systeem hadden de gevange­nen, nadat zij uit hun cellen waren bevrijd, via deze noodvoorzieningen de afdeling kunnen verlaten."

 

Als reden voor deze ontkoppeling van de nooddeuren van het alarmsysteem gaf de Volkskrant van 31 okto­ber 2005 aan:

 

"Volgens het personeel heeft de leiding dat systeem geblokkeerd omdat het brandalarm te vaak afging tijdens 'prullenbakbrandjes'. De kans op ontsnappin­gen nam daarom toe. De vreemdelingen zijn overdag niet ingesloten en zouden via de nooddeuren kunnen weglopen."

 

10.4. Al eerder, op 29 oktober 2005, citeerde de Telegraaf de vol­gende getuigenis op dit punt van een ex-be­waarder:

 

"De deuren van de centrale gang naar de vleugels met de vreemdelingencellen waren op slot. Eerst moest de sleutel worden gehaald voor we bij de cellen konden. De sleutel van de dichtsbijzijnde buitendeur, aan het einde van de cellenvleugel, lag bij de wachtcom­mandant. Dat hield in dat het minstens een kwartier zou duren voor de deur open kon."

 

11. Het opzettelijk in levensgevaar brengen van mensen door het afzien van een centraal deuront­grendelings­systeem om mogelijke ontsnappingen van onschuldigen te voorkomen

 

11.1. Minister van Justitie Donner is er voorts recht­streeks verant­woorde­lijk voor dat het complex op Schiphol-Oost opzet­te­lijk niet is uitgerust met een centrale deuront­grende­ling.

 

11.2. Amnesty International verklaarde in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005:

 

"Efforts to rescue the persons trapped in the cells were hampered by the fact that their doors could not be opened centrally, but had to be opened one at a time by prison guards."

 

11.3. Onmiddellijk na de brand verklaarde minister van Justitie Donner dat welis­waar een aantal detentie-inrichtingen in Nederland van een derge­lijke cen­traal deurontgrendelingssysteem is voorzien, maar dat bij het complex op Schiphol-Oost opzette­lijk daarvan is afge­zien.

 

11.4. Minister van Justitie Donner gaf daarvoor uitdrukke­lijk niet besparingen als reden, maar voerde daar­voor letter­lijk aan dat "..met een systeem waarbij, met een druk op de knop, alle cellen tegelijk open­springen geen peniten­tiaire instelling gerund kan worden."

 

11.5. Nu echter vast staat dat een groot aantal peni­tenti­aire instel­lingen in den lande wel degelijk met een dergelijk cen­traal deuront­gren­de­lingssysteem is uitgerust, zodat die betrokken peniten­tiaire inrich­tingen, ondanks het door minis­ter van Justitie Don­ner in dit verband gestel­de, klaarblijke­lijk wel degelijk op die manier zonder bezwaar gerund kunnen worden, en nu uit de bewoordingen van minister van Justitie Donner voorts moet worden afgeleid dat niet bezuini­gingsover­we­gingen aan de afwe­zigheid hier van een dergelijk centraal d­eurontgrende­lingssysteem ten grondslag liggen, blijft slechts over dat minister van Justitie Donner kennelijk van oordeel is dat juist het risico dat, bij het centraal ontgrendelen van alle cel­deuren als gevolg van een, al dan niet vals, brandalarm, illegale vreemde­lingen zouden kunnen ontsnap­pen en zich uit de voeten zouden kun­nen maken, als onaan­vaardbaar moet worden beschouwd. En dat dit als erger zou moeten beschouwd dan het eventueel ontsnappen van 'gewone boe­ven', die zich bevinden in inrich­tingen hier te lande die wél met een dergelijk centraal ontgrende­lingssys­teem zijn uitgerust.

 

11.6. Daarom waren ook de nooddeuren afgekoppeld van het alarm­systeem, zoals reeds eerder aan de orde ge­steld. Er mochten immers eens opgesloten illegalen kunnen ontsnap­pen als de deuren ten onrechte zouden opengaan bij vals alarm !

 

11.7. Deze benadering past geheel in de criminalise­ring van illegale vreem­de­lin­gen, die door minister van Justitie Donner en minis­ter voor Vreemdelingenzaken Verdonk doel­bewust wordt bedreven.

De impliciete boodschap die, op die manier, door minister van Justitie Donner en minister voor Vreem­delingenzaken Verdonk wordt gepropageerd, is dat illegale vreemdelingen een dermate verderflijke categorie mensen vormen, dat zij beter kunnen ver­branden dan ontsnappen.

 

11.8. Dit moet letterlijk worden genomen.

De minister van Justitie Donner en de minister van Vreem­delingenzaken Verdonk zijn er immers recht­streeks verant­woordelijk voor dat de nooddeuren waren ontkoppeld van het alarmsysteem, omdat anders gedetineerden, via deze nooddeuren, bij brandalarm zouden kunnen weglopen.

11.9. Evenzeer zijn minister van Justitie Donner en de minister van Vreemdelingenzaken Verdonk rechtstreeks verantwoorde­lijk voor het aandringen om al een aan­tal cellen op Schiphol in gebruik te mogen nemen, voordat de brandvei­ligheid van het complex door de brandweer was gekeurd. Dit onder het argument dat immers diende te worden voor­komen dat illegalen weer op vrije voeten zouden moeten worden gesteld.

 

11.10. Terwijl minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk er zelfs toe over­gingen om, ondanks de duidelijke afwijzing hiervan door de gemeente Haarlemmermeer, toch al een aantal gedetineerden in dit complex te plaatsen, voordat de brandweer het complex had gekeurd, welke door hen daar pas weer werden verwijderd na dreiging met een dwangsom.

 

11.11. Deze afschuwelijke criminalisering van illegalen ver­klaart ook de enorme ophef die direct werd ge­maakt over het feit dat een handvol illegale vreem­delingen bij de brand zou zijn ontsnapt. Alsof het hier om levensge­vaar­lijke crimi­nelen zou gaan. Mi­nister van Justitie Donner en minister voor Vreemde­lingenzaken Verdonk zorg­den er dan ook voor dat onmid­delijk na de brand, ja zelfs al tijdens de brand, een klop­jacht werd ingezet om de voor­vluchti­gen te pakken te krijgen. Daarbij werd zelfs een helikopter ingezet.

 

12. Het opzettelijk langer ingesloten houden van on­schuldige mensen in hun cellen bij de brand teneinde ontsnappingen te voorkomen

 

12.1. Zowel - anonieme - personeelsleden van het complex als slacht­of­fers hebben, elk onafhanke­lijk van el­kaar, ver­klaard dat zij, toen de brand in de K-vleu­gel al volop woedde en ook hun cellen, op andere vleugels van het complex, zich met rook vulden, opzette­lijk langer in hun cellen inge­sloten werden gehou­den, klaarblij­kelijk om ontsnap­pingen te voor­komen.

 

12.2. Een Surinaamse gedetineerde verklaarde in dit ver­band uitdruk­kelijk dat een vrouwelijk personeelslid expliciet weigerde om de cellen te openen, aanvoe­rende dat zij dat niet deed 'omdat zij dan haar baantje kwijt zou raken'.

 

12.3. Een andere getuige vermeldde dat een vrouwelijk perso­neels­lid, toen de brand in volle gang was, in de cellen­gang verscheen waaraan haar cel zich be­vond, maar weiger­de de deuren op te maken. Zeggende dat zij dit niet deed, 'anders proberen jullie te vluchten'.

 

12.4. Een getuige noemde met name cellencomplex D als complex waar aanvankelijk geweigerd werd om de deu­ren open te doen.

12.5. De Iraniër Massoed Ban Bersa, die in de ramp­nacht in de vleugel J zat opgesloten, verklaar­de in dit ver­band in een interview met 'Trajectum' van 21 novem­ber 2005, het magazine van de Hoge­school van U- tre­cht:

 

"Gelukkig was er bij ons geen brand, wel rook. We wilden er snel uit, maar dat ging niet."

 

13. Het boeien en onder schot houden van uiteindelijk uitgesloten onschuldige mensen en het aldus ook opzettelijk verhinderen dat zij anderen te hulp snel­len

 

13.1. Niet alleen werd in een aantal vleugels geruime tijd geweigerd om de deuren open te maken, een aantal overle­venden getuigen er zelfs van dat, toen zij uiteindelijk toch werden uitgesloten, de marechaus­see, met getrokken wapens, hen verhinder­den om nog ingesloten mensen te hulp te snellen.

13.2. Een Afghaanse overlevende, geciteerd in de Volks­krant van 3 november 2005 verklaarde:

 

"We wilden de anderen redden, maar dat mocht niet. Ze hebben pistolen getrokken en die op ons ge­richt..Ik hoorde hulp ! hulp ! hulp ! Een politieman zei: I shoot you."

13.3. Meerdere getuigen onder de overlevenden verhaalden voorts hoe zij, toen zijn uiteindelijk werden uitge­sloten, onder schot werden gehouden en soms zelfs geboeid.

 

13.4. In het bovengenoemde interview met 'Trajectum' van 21 novem­ber 2005 wordt omtrent de verklaring van de Iraniër Massoed Ban Bersa op dit punt gesteld:

 

"Eenmaal buiten krijgt de student handboeien om en wordt hij vastgemaakt aan iemand anders."

 

13.5. Een Algerijnse overlevende, geciteerd in de Volks­krant van 3 november 2005, verklaarde:

 

"We zaten toen in J en er kwamen zes of zeven poli­tiea­genten, die hebben pistolen gericht en ons aan elkaar geboeid en opgesloten in een kooi..Het vuur kwam steeds dichterbij, we hoorden gekrijs en ge­schreeuw."

 

13.6. Meerdere overlevenden verklaarden ook hoe zij, in een lucht­kooi samengepakt, door mare­chaussee's onder schot werden gehouden en met wapens werden be­dreigd.

 

13.7. Op 3 november 2005 bericht de Volkrant dat de mare­chaus­see op Schiphol bevestigt dat mensen zijn ge­boeid en met vuurwapens bedreigd om te voorkomen dat ze zouden ontsnappen:

 

"Een aantal gevangenen hebben we geboeid om te voor­komen dat ze ontsnapten."

 

13.8. Een vrouwelijke gedetineerde verklaarde hoe zij een van de marechaussee's, in de buitengewoon gespannen en chao­tische situatie op de luchtplaats, had horen zeggen: "Als het aan mij ligt, schiet ik jullie allemaal een kogel door de kop".

 

13.9. De Volkskrant van 3 november berichtte:

 

"Een brandweerman die bij de eerste aflossing rond zes uur arriveerde op Schiphol, wist niet wat hij zag. 'Er hing een fascistische sfeer. Zwaar bewapen­de mannen stonden om die stumpers heen. Het leek Guantánamo Bay wel'."

 

14. Falend optreden bij het optreden van de brand

 

14.1 De reconstructie van de Volkskrant van 5 november 2005 memo­reert:

 

"Het brandalarm gaat af rond middernacht. Het is een hoge toon, hoorbaar op elke afdeling. De wachtcom­mandant gaat kijken, hij zit doorgaans in het hoofd­gebouw. Er zijn negen bewaarders in het complex: zeven van justitie en twee van Securicor. (...) De wachtcommandant hoort het alarm, loopt naar K en ziet niets ongewoons. "De deur ging open en ik hoor iemand zeggen: vals alarm, vals alarm", zegt Mohamed Tahir, de Algerijn in cel 2, vlak bij de toegangs­deur.

Een bezetting van in totaal negen man op het hele complex is een volstrekte onderbezetting.

 

14.2. In de reconstructie, waarmee de Leeuwarder Courant op 12 november 2005 kwam, is er sprake van dat Tahir twee bewakers hoorde weglopen:

 

"Dan opeens gaat de deur op de gang open. 'Vals alarm', hoort Tahir iemand zeggen. De Algerijn hoort twee bewakers weglopen en de deur op de gang dicht­klappen."

 

Hieruit blijkt te overvloede dat er op de K-vleugel geen enkel personeelslid aanwezig was die nacht.

 

14.3. De reconstructie van de Volkskant van 5 novem­ber 2005 vervolgt dan:

 

"Even later klinkt weer dat hoge geluid. De wacht­comman­dant gaat dit keer naar afdeling D, maar ziet niets. Even later wordt duidelijk dat het echt mis is. Op vleugel K staat de cel van de Libiër in bra­nd. Paniek breekt uit, de Libiër wordt uit de bran­dende cel gesleept. Zodra zijn celdeur wordt geo­pend, slaat de rook over. Op de hele afdeling hangt een dikke mist."

15. Gebrek aan onmiddellijke aktie bij ontdekking van de brand

 

15.1. Getuigen verhaalden, aldus de Volkskrant van 5 no­vember 20005, hoe in de cellen van vleugel K, na het uitbreken van de brand, rook via de ventilator naar binnen kroop, waarna 'brand !, brand !' werd ge­schreeuwd. Getuige Momend Nouri verhaalde voorts dat, op geschreeuw en gebonk op de celdeuren van de ingeslotenen, vervol­gens een vrouw voor het geopende celluik­je ver­scheen, die, na geroepen te hebben 'rustig, rustig, er is niets aan de hand' vervol­gens, door de rook op de gang, weer wegrende.

 

15.2. De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 verhaalt op dit punt:

 

"Ook Momen Nouri [bedoeld wordt hier: Momend Nou­ri], uit cel 12, hoort de bewakers binnen komen. 'Ik hoorde plotseling iemand om hulp roepen', vertelt de Afghaan. 'Er kwam een vrouw, die door een luikje mijn cel in keek. Ze zei dat er niets aan de hand was. Ik zag op dat moment al roo­k.'"

15.3. De Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt dan ver­der hoe deze vrouwelijke bewaker vervolgens pas na geruime tijd zou zijn terugge­komen zijn met twee andere vrou­we­lijke colle­ga's. Enige tijd later maak­ten zij de celdeur van de be­trokken getuige open.

 

15.4. De versie van de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 verluidt op dit punt:

 

"Volgens de beide gevangenen duurt het een kwartier voordat de bewakers weer terugkomen. Uit steeds meer cellen klinkt geschreeuw. 'Er ontstond ernorme pa­niek', zegt Tahir. "'Brand!', hoorde ik roepen, 'Bra­nd!'. Het hield maar niet op.'"

16. Inadequaat handelen na het openen van de eerste deuren op de K-vleugel - tegenwerking van een aantal personeelsleden bij pogingen van gedetineerden om hun medegevangen het leven te redden

 

16.1. In de Volkskrant van 5 november 2005 verhaalt de getuige Nouri dan vervolgens dat hij, zodra hij op de gang was, een van de vrouwen vroeg ook de andere deuren open te maken. Die begon te schreeu­wen, aldus de getui­ge, en was bang dat hij haar kwaad wilde doen, wilde vermoor­den. Maar hij, aldus de getuige, wilde alleen een sleutel om ook andere deuren open te kunnen maken. Vervolgens ver­haalt hij hoe hij door het luikje van cel 9 keek en zag hoe twee men­sen, bran­dend rond­renden in hun cel. Hij getuigt: "Mijn ogen zijn schuldig, want ik kon niks doen!".

 

16.2. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 worden deze ervaringen van de getuige Nouri als volgt opge­tekend:

 

"Ook Nouri rent de gang op. 'Ik probeerde andere cellen te openen, maar dat lukte niet. Wel kon ik door het raampje kijken bij een cel. Ik zag twee mensen rennen. Ze brandden. Ik huilde, ik was hele­maal kapot. Ik heb een vrouwelijke bewaker om een sleutel gevraagd, maar die kreeg ik niet en toen moest ik wel wegrennen. De rook dwong me.'"

 

16.3. Ook de reconstructie van de Volkskrant van 5 novem­ber 2005 verhaalt hoe ook daarna, in dit geval de marechaussees, aan­vankelijk verhinderd hebben dat al bevrijde gevangen hun nog ingesloten mede-gevangenen te hulp schoten. Getuige Momend Nouri stelde in dit verband:

 

"We wilden onze vrienden helpen, maar ze hadden hun gewe­ren getrokken, we zagen dat onze vrienden dood­gingen en een Afrikaan zei: schiet me maar dood dan. Drie, vier politiemannen waren het met de pistolen precies op ons gericht. Huilend heb ik gevraagd: geef die sleutel aan mij om die Koerdische man te redden. Pas toen kreeg ik hem en ben ik naar afde­ling J gerend."

 

16.3. Getuige Mohamed Tahir, die zich in cel 2 van de K-vleugel bevond, getuigt dat men pas zeven minuten, nadat de persoon uit de cel was gehaald waar de brand waarschijn­lijk begon, een aanvang maakte met het openen van de celdeuren vanaf 1 en 2.

16.4. Volgens getuige Fatoda, die zich in cel 25 bevond, duurde het twintig minuten voordat zijn celdeur openging.

16.5. Een Surinaamse getuige, waarvan onduidelijkm is op welke vleugel zij zat, verhaalde:

 

"Meer dan een half uur heb ik op de deur geklopt en niemand deed open. Niemand kwam kijken wat er met ons gebeurde. Het was wreed."

 

16.6 Van een van de gedetineerden, de Oekrainer Taras Bilyk, wordt in de Volkskrant van 5 november 2005 verhaald dat hij in cel 4 van de K-vluegel zat en dat, toen zijn deur werd openge­maakt, hij sleutels van de grond graaide en naar een andere cel rende, waarin zijn vriendin zich bevond. Beiden kwamen om.

16.7. Ook in de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 wordt op dit punt een getuige aan het woord gelaten:

 

"De Afghaan Fazl Ahmed Babakarkhyn, uit cel 24: 'De cel van Taras uit de Oekraïne lag tegenover mij. Ik hoorde hem roepen in het Russisch: Alsjeblieft, help mij, help mij. Ik werd bang van zijn geschreeuw, ik heb die stem nog in mijn hoofd. Ik hoorde mensen rennen op de gang. Ik wilde het raam kapot maken, schopte tegen de muren. Toen ging de celdeur open. Ik heb Taras nog in een glimp gezien. Hij wilde een vriendin uit de Oekraïne redden, maar ze hebben het geen van beiden gered.'"

 

16.8. Ook andere getuigen maken melding van sleutels die op de grond lagen. Getuige Mustafa Bouhktari, van Marokkaanse afkomst, verhaalde hoe hij aanvankelijk werd gered door een Algerijn, die zijn celdeur open­maakte. Hij maakt ook melding van mare­chaussees die met gasmaskers op op het toneel verschenen. Dan verhaalt hij:

 

"Toen de bewakers weg waren, hebben de gevangenen zelf deuren open gemaakt. Er lagen sleutels op de grond. Ik heb celsleutels opgeraapt en aan de mare­chausssee gege­ven."

 

16.9. In die fase waren inmiddels ook marechaussees begon­nen met het openen van de cellen.

 

16.10. Ook volgens de reconstructie van de Volksrant van 5 november 2005 werkten zo uiteindelijk toch een paar al bevrijde gevangen aan het openen van de cellen van hun mede-ge­vangen mee. Daarbij gaat het dan kenne­lijk ook om andere vleu­gels dan de K-vleugel.

16.11. Op 30 oktober 2005 berichtte de Telegraaf dat de Europese Organisatie ter bescherming van de rechts­positie van Gedetineerden (EORG), waarbij ruim vijf­tig gede­tineerdencommis­sies zijn aangesloten, inmid­dels tot een vernietigend oordeel was gekomen:

 

"Woordvoerder P. Vleeming stelt donderdag met drie gedetineerden te hebben gesproken, en trekt daaruit harde conclusies. Zo gingen volgens hem de medewer­kers in de gevangenis onzorgvuldig te werk en onder­namen te laat actie. Hij stelt verder dat er in het complex een personeelstekort was en dat medewerkers niet op de hoogte waren van de procedures bij 'bran­dhulpverlening'.

 

De Telegraaf van van 27 oktober 2005 meldt dan op dit punt tot slot nog:

 

"De Europese Organisatie ter bescherming van de rechtspositie van Gedetineerden (EORG) zegt dat de gedetineerden in het cellencomplex op Schiphol tij­dens de brand als ratten in de val zaten."

­

17. Moedig optreden van een enkel personeelslid van Securicor

 

17.1. Volgens gelijkluidende verklaringen van getuigen is het vooral aan het moedig optreden van een vrouwe­lijk perso­neelslid van Securicor te danken geweest dat nog een aantal mensen in het brandende deel van het complex gered konden wor­den. Met gevaar voor eigen leven wist zij, toen het openen van de cellen op de brandende vleugel eenmaal was begonnen, nog een aantal cellen in het brandende gedeelte van het complex te ontsluiten, en raakte daarbij zelf ge­wond, 'maar verder dan cel 15 kwam zij niet'.

 

18. Arrestatie van een vreselijk verbrand en zwaar ge­wond mens om de schuldvraag af te leiden

 

18.1. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 komt nog een nadere getuigenis van de Algerijn Mohamed Tahir aan de orde:

 

"Mohamed Tahir ziet in de hoek van de gang iemand liggen. Hij rent er op af en buigt zich erover. Een Surinamer, denkt Tahir. 'Hij was half bloot, zijn hele rug verbrand. Samen met de Afghaan uit cel 8 heb ik hem vastgepakt en weggesleept. Vier, vijf meter. Daarna hebben bewakers het overgenomen.'

Eenmaal buiten ziet Tahir dat de man helemaal geen Surinamer is, maar een Noord-Afrikaan die zwart geblakerd is door het vuur en de rook. Het blijkt een 25-jarige Libiër uit cel 11. Per ambulance wordt hij afgevoerd naar het ziekenhuis."

 

18.2. Enkele dagen na de catastrofale brand vond minister Donner van Justitie het blijkbaar noodzakelijk om deze zwaargewonde man in het ziekenhuis officiëel onder arrest te laten stellen. Dit in een kennelijke poging om de aandacht van hemzelf en minister voor Vreemdelin­gen­zaken Verdonk af te leiden.

 

18.3. In de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 rea­geert de getuige Tahir hierop als volgt:

 

"Anderhalve week na de brand reageert Mohammed Tahir ongelovig op het bericht dat de 25-jarige Libiër uit cel 11 door justitie verdacht wordt van brandstich­ting in zijn cel. 'Hij zonderde zich af. Niemand kende hem goed. Hij was er ook nog niet zo lang. Hooguit een dag of twee, drie. Ik heb hem één keer gesproken. Toen maakte hij een opgewekte indruk. Niets bijzonders eigenlijk."

 

19. Het tot uitdrukking brengen van tevredenheid over het optreden van het personeel als impiciete bood­schap dat illegalen niet met voor norma­le mensen geldende maatstaven beoordeeld dienen te worden

 

19.1. Ondanks de hierboven uitvoerig weergegeven voor het merendeel afschuwelijke, mens­ont­erende en structu­reel tekort schietende bejegening door het perso­neel - een inci­dentele heroische uitzondering daargelaten -, werd onmid­dellijk na de brand door minister van Justi­tie Donner en minister voor Vree­mdelingenzaken Verdonk ver­klaard dat het perso­neel 'cor­rect' en 'ade­quaat' was opge­treden.

 

19.2. De voortdurende impliciete boodschap van minister van Justi­tie Donner en minister voor Vreemdelingen­zaken Verdonk dat illegale vreemde­lingen een minder­waardige cate­gorie vormen, waar­voor menselijk mede­gevoel en mede­dogen misplaatst is en die, zelfs nog onder meest verschrikkelijke omstandighe­den, van een menselijke en menswaardige bejegening uitge­sloten dient te blijven, vond daar­mee een nieuwe uitdruk­kingsvorm.

 

19.3. De impliciete boodschap, die door minister van Jus­titie Donner en door minister voor Vreemde­lingenza­ken Verdonk wordt gepro­pa­geerd, dat het hier slechts om mensen van een mindere catego­rie gaat, die beter kunnen verbranden dan ont­snappen, wordt door minis­ter voor Vreemdelingen­za­ken Verdonk bijna tastbaar gearticu­leerd op het mo­ment dat zij, bij de bekend­making op de dag van de brand dat 11 on­schuldige mensen een vrese­lijke dood in haar gru­welcom­plex zijn gestor­ven, letterlijk stelt: "Er zijn elf ille­galen over­leden."

 

Op dat moment is zij zelfs nog niet in staat om het feit dat het hier om elf mensen gaat voorbij de barrière der tanden te brengen.

 

19.4. Zij getuigt van deze - impliciete - bood­schap dat het hier slechts om mensen van een mindere categorie zou gaan ook nog eens, wan­neer zij op 2 november 2005 publiekelijk verklaart dat mensen - bedoeld wordt hier het personeel van het com­plex - wel ge­traumatiseerd zullen zijn geraakt door dat gebonk en ge­schreeuw van al die 'illega­len' in doodsnood.

In de Volkskrant van 2 november 2005 werd hier als volgt verslag van gedaan:

 

'Verdonk vroeg begrip voor de cipiers, die in de rook hadden gestaan en gebonk en geschreeuw hebben gehoord. "De medewerkers zijn ook getraumatiseerd".'

 

20. Opzet bij dood door schuld en medeplichtigheid aan zwaar lichamelijk letsel van minister van Justitie Donner en minis­ter van Vreem­delingenzaken Verdonk bewezen door hun vervolg­handeling van het hernieuwd insluiten van de overlevenden in brandgevaarlijke detentie-complexen

 

20.1. Door opzettelijk op cruciale punten in gebreke te blijven de aanbevelingen van het NIBRA en de commis­sie-Siepel op te volgen, maakten minister van Justi­tie Donner en minis­ter voor Vreemdelingenzaken Ver­donk zich willens en wetens schul­dig aan dood door schuld, en dit dan ook nog opzettelijk .

 

20.2. Dàt hier duidelijk sprake is van opzettelijke grove nalatigheid, leidende tot dood door schu­ld, vindt zijn definitieve bewijs in het feit dat de overle­venden van de brand in het complex op Schip­hol-Oost door minister van Justitie Donner en minister voor Vree­md­elingenzaken Verdonk onmiddellijk zijn gede­porteerd naar andere com­plexen voor vreemdelingenop­slui­ting, die vanuit een oogpunt van brandpreventie, bouw­technisch evenzeer vol­strekt onveilig zijn, zodat zij daarmee de getraumati­seerde overlevenden opzet­telijk dwingen om, opnieuw, in een brandgevaar­lijke omgeving te verblijven.

 

20.3. Daarmee drijven minister van Justitie Donner en minister van Vreemdelingenbelid Verdonk het zover dat zij zich, behalve aan dood door schuld jegens de slachtoffers van het hellevuur in het complex, ook nog schuldig maken aan voorwaardelijke opzet inzake poging tot dood­slag jegens de overlevenden, nu zij, door de overlevenden te dwingen tot verblijf in andere com­plexen die, vanuit een oogpunt van brand­werende voorzie­ningen eveneens onveilig zijn, wil­lens en wetens op­nieuw een imminent levensgevaar voor deze betrokken creëren.

 

20.4. Niet genoeg kan worden benadrukt dat minister van Justi­tie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk recht­streeks verantwoordelijk zijn voor de dodelijke slachtof­fers, die als gevolg van de ver­schrikkingen in het ­complex Schiphol zijn gevallen.

 

Als in een gewoon huis ouders hun kinderen in een kamer zouden opsluiten en bij brand zouden verzuimen hen tijdig te bevrij­den, dan zouden die ouders opge­pakt worden onder de beschuldiging van dood door schuld. Als in een ver­pleeg­tehuis bij een brand elf patiënten zouden omkomen, zouden bestuur en directie van dat huis aansprakelijk worden gesteld. Maar de directeur van het uitzetcentrum krijgt, nog op de dag van de fatale brand, bezoek van minister Donner en minis­ter Verdonk, die hem een schouderklopje komen uitdelen, en een brevet van verdienste komen uit­reiken.

 

20.5. Niet genoeg kan voorts worden benadrukt dat minister van Justi­tie Donner en minister voor Vreemdelingenz­aken Verdonk niet alleen verantwoordelijk en aan­sprakelijk zijn voor de doden die in hun gruwelcom­plex zijn geval­len, maar ook voor degenen die deze verschrikkingen hebben overleefd, en als gevolg hiervan zwaar getraumati­seerd zijn geraakt.

 

20.6. Het gaat hierbij in een aantal gevallen ook nog om mensen die toch al ver­schrik­kelijke persoon­lijke ervaringen hadden doorgemaakt, en mits­dien dus al getraumati­seerd waren, en die boven­dien vaak reeds jaren aan zware stress onder­hevig zijn, zodat zij behoor­den tot de meest kwets­bare personen, vaak al onderhevig aan ernstig psychisch lijden.

 

20.7. Deze mensen zijn, voor zover zij de ramp hebben over­leefd, opnieuw nog verder getraumatiseerd ge­raakt als gevolg van de verschrikkingen die zij hebben ondergaan.

 

21. Ontmenselijking van illegalen getoonzet door minis­ter van Justitie Donner en minister voor Vreemdelin­genzaken verdonk

 

21.1. De ontmenselijking van deze mensen, waarvoor door minis­ter van Justitie Donner en minister voor Vreem­delingenz­aken opzettelijk mede de toon wordt gezet, is bepalend voor de wijze waarop de werknemers van het ministerie van Justitie en op het ministerie van Vreemdelingenbeleid hun taak opvatten.

 

21.2. Door een dergelijk beleid en het stellen van dit voor­beeld dragen de minister van Justitie Donner en de minis­ter voor Vreemdelingenzaken opzettelijk bij aan een opvatting die al bij velen van het personeel van genoemde ministeries heeft postgevat. Een me­ning, houding en gedrag die ertoe leiden dat men meent dat jegens deze door beide ministers, in de bejegeningspraktijk als 'tweederangs bur­gers' ge­classi­ficeerde mensen, alles geoorloofd is om ze zo snel moge­lijk uit ons land te verwijderen.

 

 

 

WREDE EN ONMENSELIJKE BEHANDELING VAN DE ZIJDE VAN MINISTER VAN

JUSTITIE DONNER EN MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN VER­DONK

JEGENS DE SLACHTOFFERS EN OVERLEVENDEN NA DE RAMP

 

 

22. Opzettelijk werd cellen van de slachtoffers van de ramp in de rampnacht langer gesloten gehouden om ontsnappingen te voorkomen; een recapitulatie

 

22.1. Opzettelijk werden, in de nacht van de cata­strofale brand, in een extreem beangstigende en bedreigende situ­atie, cellen van overlevenden aanvankelijk ge­slo­ten gehou­den, met als argument dat voorko­men moest worden dat er men­sen zouden ontsnap­pen.

 

22.2. Cellen kwamen daarbij onder de rook te staan, en wel zodanig dat toen uiteindelijk de bewakers en de marechaussee die cellen wél opende, een aantal van deze functionarissen onwel werd door de rook en in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

 

23. Opzettelijk werden slachtoffers van de ramp in de rampnacht geboeid en onder schot gehouden om ont­snappingen te voorkomen; een recapitulatie

 

23.1. Met hetzelfde argument, dat ontsnapping voorko­men, moest worden, werden mensen, nadat hun cellen uit­ein­delijk wél waren geopend, in een aantal gevallen aan elkaar geboeid, met vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden.

 

24. Opzettelijk werden de paar overlevenden die in de rampnacht in paniek ontkwamen voorgesteld als ge­vaarlijke criminelen op wie een klopjacht werd inge­steld; een recapitulatie

 

24.1. Voor zover enkele van de overlevenden zijn onsnapt, worden zij voor­ge­steld als bijzon­der gevaarlijke per­sonen, waarop een klopjacht moest worden ge­hou­den, en waar­bij zelfs een helikop­ter moest worden inge­zet.

 

24.2. Geheel voorbij gegaan wordt daarbij aan het feit dat illegaliteit geen strafbaar feit vor­mt, en dat voor actief opsporen van illegalen elke wettelijke grond ontbreekt. Wanneer ille­galen ontsnappen, anders dan door gebruik van geweld, is er derhalve geen enkele rechtsgrond om ze op te sporen.

 

25. Wreed en onmenselijk optreden jegens getraumatiseer­de slachtoffers van de ramp - impliciete en kille drei­ging dat herhaling niet is uitgesloten en dat ook niet alles in het werk zal worden gesteld om herhaling te voorkomen

 

25.1. Ook overigens blijkt nergens uit dat jegens de als gevolg van hun ver­schrikkelijke ervarin­gen bij de brand nog eens extra getraumatiseerde over­le­ven­den van deze ramp, die door minister Don­ner en minis­ter Verdonk al op een ontmenselij­kende manier werden bejegend, na de cata­strofale ramp een beleid zal worden gevoerd van enigerlei consideratie, noch dat alles in het werk zal worden gesteld om herhaling te voorkomen.

 

25.2. Bij de strak geregisseerde officiële 'herden­king' van 8 november 2005 - de herdenking waarbij de over­leven­den werden buitengesloten - stelt minister Donner, aldus de Volkskrant van 9 november 2005:

 

"Wetten moeten worden gehandhaafd: zonodig ook door bewaring. Maar dit is niet de prijs die ons als samenleving daarbij voor ogen staat ."

 

Deze bewoordingen houden de kille suggestie in dat het wel­licht wél de prijs zou kun­nen zijn, die 'on­s', 'als samenleving', voor ogen zou staan. En dat het dus nodig is dat minister Donner, als moreel baken, daarvan nog eens uitdruk­kelijk afstand neemt.

 

25.3. Dat het hier geen verspreking betreft, blijkt uit het feit dat minister Donner nog eens herhaalde: "Dit heeft nie­mand ooit gewild."

 

Zo'n uitspraak heeft alleen maar zin en betekenis als inderdaad niet al bij voorbaat boven alle twij­fel verheven zou zijn dat niemand dit ooit heeft gewild.

 

25.4. Door in deze termen te praten, in plaats van in termen van compassie met de slachtoffers en hun nabestaanden, en door volledig na te laten de hand ook maar op een enkel vlak in eigen boezem te ste­ken, wordt door minister Donner een koude dreiging opgeroepen dat van de hem en minister Verdonk ook geen enkele stap te verwachten is om herhaling te voorko­men.

 

25.5. Integendeel, minister Donner en Minister Verdonk hebben al lang voordat deze 'herdenking' van de slach­toffers, waarbij voor de overlevenden geen plaats is, een feit is, het scenario geschapen waar­in een dergelijke ramp zich moeiteloos zal kun­nen herhalen, en wel door de overlevenden voor een groot deel over te brengen naar andere detentiecom­plexen voor vreemdelingenbewaring, die even brandge­vaarlijk zijn, en ze daar, nog dichter opeengepakt, op te sluiten.

 

25.6 Overigens doet het gedrag van minister Donner, die op de herdenking waar de slachtoffers niet welkom waren roept dat 'niemand dit ooit gewild heeft' en dat 'dit niet de prijs is die ons als samenleving voor ogen staat', denken aan een automobilist die met 200 km per uur door een woonwijk heeft gejakkerd en op de herdenking van de daarbij doodgereden kin­deren roept dat 'niemand dit ooit gewild heeft'.

 

Het enige verschil is dat van de automobilist ver­wacht wordt dat hij dit niet meteen nog een tweede keer doet - en daarvoor trouwens ook niet de kans zal krij­gen -, terwijl minister Donner direct weer op­nieuw voor de illegalen die in zijn detentie-macht zijn le­vens­ge­vaar creëert, en daarvoor van een mo­reel failliete parlementaire meerderheid ook ter­stond alle ruimte krijgt.

 

26. Het optreden van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk jegens de slachtof­fers en overlevenden na de ramp: voortzet­ting van een wrede en onmen­selijke behandeling

 

26.1. Ook het verdere optreden van minis­ter van Justi­tie Donner en van minister van Vreemde­lingenzaken Ver­donk tegenover de slachtoffers en overlevenden van de ramp kan, op onderde­len zowel als in zijn geza­menlijk­heid, slec­hts worden gekwalifi­ceerd als ' een wrede en onmen­selijke behan­deling ' in de zin van artikel 16 van het Ver­drag tegen folte­ring en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folter­ver­drag - AFV) en artikel 7 van het Inter­na­ti­onaal Ver­drag inzake Burgerrechten en Poli­tieke rechten (IVB­PR):

 

27. Verdere opsluiting van de slachtoffers en overleven­den van de ramp onder detentie-omstandigheden die niet voldoen aan de internationale maatstaven

 

27.1. Opzettelijk werden - en worden - der slachtoffers van de ramp, evenals andere mensen die als ille­gaal worden aangemerkt en die zich aan geen enkele straf­baar feit hebben schu­ldig gemaakt, opge­sloten gehou­den onder detentie-omstan­dighe­den die niet voldoen aan de daaraan naar inter­natio­nale maatsta­ven te stellen eisen, zoals deze zijn neergelegd in de Standard Minimum Rules for the Treatment of Priso­ners, alsmede in de Body of Principles for the Pro­tection of All Persons Under Any Form of Detenti­on or Imprisonment, zoals dit is vastgesteld bij reso­lutie 43/173 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1988.

 

27.2. Amnesty International refereerde aan bepaalde aspec­ten van deze niet met internationale stan­daards overeenstemmende detentie-omstandighe­den, toen de organisatie, in diens Public State­ment van 8 novem­ber 200, EUR 35/001/2005, naar aanleiding van de ramp stelde:

 

"Amnesty International is concerned about re­ports that have emerged that indicate that the rejected asylum seekers who were held in the Schiphol airport detention centre were detained in the same area as persons convicted of crimi­nal offences. The organi­zation further expres­ses concerns regarding the fact that men and woman were held in the same area and not in separate part of the premises."

 

28. Onderwerping aan onbegrensde vrijheidsontneming, behoudens door der­den geinitiëerd rechterlijk in­grijpen

28.1. De facto en de iure stellen noch de minister Donner en mi­nister Verdonk, noch de wet aan een dergelijke opsluiting van de slachtoffers van de ramp, alsmede andere illegalen een li­miet.

 

De enige begrenzing is dan ook een rechter­lijk in­grijpen om de detentie te beëindigen. De rechter is echter lijde­lijk.

 

28.2. Een rechterlijke begrenzing aan de detentie vooron­der­stelt dan ook een aktie via een rech­tshulpver­lener. Bljft een dergelijke aktie van een rechts­hulp­verle­ner uit, of ontbreekt een dergelijke rec­hts­hulpver­lener om wat voor reden dan ook, dan ver­valt iedere begren­zing aan de op­sluiting.

29. Onderwerping aan discriminatoire detentie-omstandig­heden

 

29.1. Opzettelijk wer­den - en wor­den - mensen die als ilegaal worden aangemerkt daar­bij on­der­worpen aan detentie-om­stan­dighe­den, welke dan voorts ook nog eens dis­crimi­na­toir zijn jegens hen, in die zin dat de voor hen geldende detentie-omstan­dighe­den, glo­baal genomen en feitelijk bezien, aanzien­lijk slech­ter zijn dan de detentie-condi­ties waaraan verdach­ten van crimineel handelen worden onderwor­pen.

 

30. Ontzegging van alle middelen van bestaan in strijd met de fundamentele mensenrechten bij ontslag uit detentie

 

30.1. Doelgericht worden, indien de betrokkenen vervol­gens, bin­nen de Neder­landse contekst, uit detentie worden ontsla­gen, hen voorts, al dan niet opnieuw, alle middelen van bestaan ontzegd en worden zij, al dan niet opnieuw, van alle moge­lijkhe­den om hier te lande zelfstandig te overleven beroofd, waarbij minister van Justitie Donner en minister voor Vreem­delingenz­aken Verdonk opzettelijk hun funda­mentele mensen­rechten naar de vuilnisbak verwijzen.

 

31. Opzettelijke voortzetting van de detentie van de slachtoffers ondanks de extra psychische kwelling die dit betekent

 

31.1. Willens en wetens werd de detentie van deze ­overle­ven­den van de ramp voortgezet, hoewel ieder redelijk denkend mens onmiddellijk zal besef­fen dat deze overlevenden door de ramp onontkoombaar psychische schade zullen hebben opgelopen.

 

31.2. In diens public statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005, bracht Amnesty International de onaan­vaardbaarheid hiervan tot uitdrukking:

 

"Amnesty International is worried by reports that the survivors of the fire have been relo­cated, but are still being held in detention facilities."

 

31.3. Ook Amnesty International drong dan ook aan op be­indi­ging van hun deten­tie:

 

"Amnesty International calls on the Dutch autho­ri­ties to terminate the detention of the irre­gular immi­grants among the survivors and offer all survi­vors alternative accomodation."

 

32. Alles gericht op een snelle verwijdering van de getraumati­seer­de slachtoffers uit Nederland - de malicieuze oog­merken hiervoor

 

32.1. Twee dagen na de officiële 'herdenking' waarbij voor de overlevende slachtoffers geen plaats is, kondigt minister Verdonk aan dat het uit­zetten van de over­levenden zal worden hervat.

 

32.2. Amnesty International stelde in dit verband in diens Public Statement van 11 november 2005, EUR 35/002/2­005, onder de titel: "The Netherlands: No expulsions until investigations haven been concluded":

 

"Amnesty International is deeply concerned about the announced expulsions of the survivors of the Schip­hol Airport fire on 27 October 2005 . Amnesty Inter­national calls for the sur­vivors of the fire not to be expelled until a thorough investigation into the causes of the fire has been concluded."

 

En:

 

"On 10 November 2005 during an emergency parli­amen­tary debate, Rita Verdonk, Minister for Immigration and Integration Affairs, announced that she would soon initiate expulsions of survivors of the fire who are still kept in detention. Minister Verdonk said the survivors 'were no longer necessary for the technical investigation' carried out by the Techni­cal Research Team (TRT) into the cause of the fire. On 1 November 2005 , Minister Verdonk promised mem­bers of Parliament (MPs) the survivors would not be expelled 'awaiting the outcome of the investigation of the TRT'. The results of the investigation have, however, still not been finalized.

 

Following Minister Verdonk's announcement, several MPs reminded her of her promise not to expel the survivors pending the outcome of the final report. Minister Verdonk explained she never intended not to expel the survivors until the report was finalized, and her decision to expel the survivors was suppor­ted by the majo­rity of the MPs. In direct contradic­tion, the Dutch Parliament had adopted a motion stipula­ting that prior to expelling any survivors, a thorough independent medical and psyciatric evalua­tion should take place. It also urged the government to find guarantees for an adequate treatment in the countries of origin.

 

Amnesty International maintains that despite the motion adop­ted, the announced expulsions should not be carried out before the end of investigations and publications of its re­sult­s."

 

32.3. Het is onwaarschijnlijk dat de aankondiging van minister Verdonk om in principe de uitzettingen van de slachtoffers van de brand te hervatten louter werd ingegeven door de persistente visie op illegale vreemdelingen als mensen van een verwerpelijk slag, die zo snel mogelijk uit het land verwijderd moeten worden.

Aannemelijk is dat daarbij ook andere overwegingen een rol speel­den.

 

33. De opzet om de overlevenden in detentie te kunnen houden als drijfveer om aan te kondigen dat de uit­zettingen worden voortgezet

 

33.1. Een eerste overweging daarbij, zo valt aan te nemen, is dat, als officieel zou worden afge­kondigd dat de uitzettingen voorals­nog zouden worden opgeschort, daarmee ook de grond­slag aan verdere detentie van de betrokkenen zou ontval­len.

 

Het staat echter vast dat de ministers Donner en Verdonk de detentie van de slachtoffers onverkort wilden voortzetten.

Maar dan stonden zij ook voor de noodzaak om aan te kondigen dat de uitzettingen zouden worden hervat.

 

33.2. Dat een dergelijke vrijlating inderdaad de dwingende uitkomst zou zijn van een offi­ciële afkondiging van een opschorting van de uitzetting, wordt ook door Amnesty International onderstreept in diens Public Statement van 11 November 2005:

 

"On 8 November 2005 , Amnesty International called on the Dutch government to release all irregular mi­grants who survived the fire and did not have a criminal background as, by sus­pending the expulsions of the migrants, there was no longer a legal ground for detaining them. A recent verdict of the District Court of Amsterdam on 9 November expressed a similar position."

 

33.3. En in de verklaring van Amnesty International van 21 november 2005, onder de titel "Laat vluchtelingen tot hun recht komen", wordt in dit verband verder nog gesteld:

 

"Amnesty International heeft in een tweetal public statements vanuit het Internationale Secretariaat in Londen haar zorg uitgesproken over de voortdurende detentie van de overleven­den van de brand. Met de aankondiging van de opschorting van de uitzetting in afwachting van het onderzoek van de technische re­cherche, is de juridische grond voor het nog langer detine­ren van deze mensen ('zich op uitzetting') naar de mening van de organisatie vervallen."

34. De opzet om schadeclaims de pas af ter snijden door de slachtoffers zo snel mogelijk af te voeren

34.1. Maar er is naar alle waarschijnlijk ook nog een andere reden waarom minister Verdonk weigerde de uitzetting op te schorten tot de uitslag van onder­zoeken bekend zou zijn. En dat is de vrees voor schadeclaims van de overlevenden en de nabestaanden van de omgekomen slachtofffers.

 

Hier geldt immers dat hoe eerder de overlevende van de ramp zijn afge­voerd, hoe kleiner de kans dat van hen nog schade­claims te verwachten zijn.

 

34.2. Terwijl voorts ook geldt dat dergelijke schadeclaims van­uit het buitenland, voor de arme categorie mensen waartoe overlevenden van de ramp behoren, veel min­der gemakkelijk te entameren, laat staan te effectu­ëren, zullen zijn.

34.3. In diens Public Statement van 11 November 2005 neemt Amnesty International al, bij wijze van spreken, een voorschot op dergelijke eventuele schadeclaims, als de organisatie stelt dat het onderzoek dat naar de ramp wordt uitgevoerd er ook toe moet strekken om getuigenissen van over­levenden vast te leggen, met name ook met het oog op eventuele latere schade­cla­ims:

 

"Amnesty further believes that the ongoing investi­gations should include witness state­ments of the survivors of the fire as this could help survivors te receive compensation."

 

34.4. Voor de minister Donner en Verdonk is de beste ma­nier van preventie van dit soort schadeclaims het zo snel mogelijk effectueren van uitzetting van de slachtoffers.

Hier geldt immers: hoe eerder de overlevenden het land uitgewerkt zijn, hoe kleiner de kans dat hun getuigenissen zorgvuldig kunnen worden gedocumen­teerd, en dus hoe kleiner de kans wordt op deugde­lijk onderbouwde schadeclaims van hun kant.

 

35. De opzet om de Kamer-motie omtrent een grondig me­disch en psychiatrisch onderzoek onder de slachtof­fers te ontkrachten

 

35.1. En nog een andere reden om de uitzettingen zo snel mogelijk te hervatten, werd de ministers Donner en Verdonk naar het zich laat aanzien ingegeven door hun wens om zich zoveel mogelijk te onttrekken aan de motie van de Tweede Kamer, waarop Amnesty Inter­national in diens Public Sta­tement van 11 no­vember 2005 de vinger legt:

 

"... the Dutch Parliament had adopted a motion sti­pulating that prior to expelling any survi­vors, a thorough independent medical and psy­chiatric evalua­tion should take place."

 

Tegenover mensen die het land zijn uitgezet, is zo'n 'thorough independent medical and psyci­atric evalua­tion' immers niet meer nodig.

35.2. En bovendien spaart dit een hoop geld uit aan kost­bare behan­delingen.

 

35.3. Dát van een passende medische en psychiatrische evaluatie, opvang en behandeling van de slachtof­fers, vanaf het eerste begin, geen sprake is ge- ­wee­st, wordt verderop in deze aangifte uitgebreid be­handeld.

 

36. de opzet om verdere onrust over de brand en de slac­htoffers zo snel mogelijk zoveel mogelijk de kop in te drukken

36.1. En tenslotte wordt uitzetting kennelijk gezien als een remedie om verdere onrust zo snel mogelijk uit te bannen.

 

36.2. Althans datgene wat de ministers Donner en Ver­donk als 'verde­re onrust' wensen te beschou­wen, maar wat met name ook door Amnesty Internatio­nal, in diens verklaring van 21 november 2005, als een gerecht­vaardigd opkomen voor belangen wordt beoor­deeld:

 

"De organisatie is van mening dat de aanwezig­heid van overlevenden ook voor andere onderzoe­ken van belang kan zijn. Het komt voor dat uit onderzoeksre­sultaten nieuwe vragen naar boven komen die slechts door de overlevenden beant­woord kunnen worden. Bo­vendien kunnen ook de overlevenden zelf belang heb­ben bij het kennis nemen van de resultaten van het onderzoek."

 

36.3. Een zo spoedig mogelijke verwijdering uit Ne­derland is ongetwijfeld de beste methode om de overlevenden ook op dit punt bij voorbaat de pas af te snijden.

 

37. Voortgezette detentie van de overlevenden in deten­tie-centra die eveneens brandgevaarlijk zijn - over­levenden terug gedeporteerd naar Schiphol-Oost waar de geur van verbrand mensenvlees nog hangt

 

37.1. Als plekken waarnaar overlevenden zijn gedepor­teerd, kwamen, in de dagen na de ramp, voor de buitenwacht geleide­lijk in beeld het Kamp Zeist, het UC Zestien­ho­ven en de Rotterdam­se de­tentie­boten, veelal cel­len­complexen die, qua constructie, en daarmee qua brandgevaar, vrijwel identiek zijn aan het complex dat op Schiphol-Oost afbrandde. Ande­re overleven­den werden gewoon weer op Schi­phol-Oost inge­sloten, met name de zgn. 'bolletjesslikkers'.

37.2. Ook de Volkskrant van 5 november 2005 vermeldt dat het gru­wel­complex Schiphol-Oost alweer deels in bedrijf is. "Het complex is omheind met een nieuwe ring hekken en roodwitte politie­linten" en "binnen spelen bewaarders spelletjes om de tijd door te komen."

 

De Volkskrant vervolgt dan:

 

"..aan de andere kant van het complex gaapt een gat. Een rotte, zwarte kies: vleugel K. Het ruikt er, onder wind, naar verbrand mensen­vlees."

 

Latere berichten maken er melding van dat op Schip­hol-Oost alleen nog bolletjesslikkers zouden zijn gedetineerd, maar dit zou, indien juist, aan de afschuwelijkheid en wreedheid van deze herplaatsing niet afdoen.

 

37.3. Dit alles betekent dat mensen wor­den gedwon­gen op­nieuw opge­slo­ten te leven in cellen­com­plexen, waarin zij op­nieuw aan het risi­co worden bloot­gesteld om levend te verbranden, met alle trau­mati­sche ang­sten van dien.

 

38. Overplaatsing naar slechtere detentie-condities in nog overvollere complexen - angst voor hernieuwde brand bij de geshockte en getraumatiseerde overle­venden

 

38.1. Als vee worden overlevenden, zwaar geschokt en soms ook ge­trau­ma­ti­seerd, in een aantal gevallen samenge­pakt in overvolle vervan­gende deten­tiecentra voor vreemdelingen, dik­wijls met nog meer personen op één cel dan normaal al het geval was.

 

38.2. Zo steeg door overplaatsingen van overlevenden van de ramp op Schiphol naar de reeds overvolle deten­tiebo­ten in Rotter­dam het aantal gedeti­neerden daar, on­middellijk na de brand, van 720 mensen naar 854.

 

SP-frac­tievoor­zitter Cornelis­sen, die eerder dit jaar met de Com­missie Bestuur en Veiligheid van de Rot­terdamse gemeente­raad de deten­tieboten be­zocht, stel­de, aldus de Volkskrant van 2 novem­ber 2005:

 

"'Mocht Schiphol zich onverhoopt hier herhalen, dan zitten die mensen als ratten in de val'".

 

38.3. In de zaak van het Chinese overlevende A. van de Schip­hol­brand, Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam) van 8 novem­ber 2005, reg. nr. AWB 05/47342, werd omtrent eiser onder meer aangevoerd:

 

"Eiser bevond zich in 'cellenblok J', dat was gele­gen naast 'cellenblok K', alwaar de brand heeft gewoed. Eiser heeft die nacht last van rookontwikke­ling in zijn cel gehad. Vervolgens is eiser overge­plaatst naar de detentieboot "Reno" te Rotterdam. Het verblijf aldaar is beangstigend voor eiser gelet op hetgeen hij heeft meegemaakt in het Detentiecen­trum en eiser is bang dat op de detentieboot even­eens brand uitbreekt."

 

38.4. In de avonduren van 8 november brak er op de deten­tie­boot in Rotterdam inderdaad opnieuw brand uit, tot de on­uitsprekelijke angst van de opgeslotenen.

 

38.5. De Volkskrant van 11 november 2005 hierover, die op dit punt ook getuige en overlevende Massoed Ban Bersa aan het woord laat:

 

"Zijn laatste nacht maakte hij weer een brand mee. Ditmaal een kleine, die snel was geblust. 'Ik hoorde geschreeuw, raakte in paniek. Drie kwartier later kwam een bewaarder die zei dat er niets aan de hand was. Maar dat geloof ik niet meer. Die nacht in Schiphol zeiden ze ook dat er niets aan de hand was'."

 

38.6. In de zaak van de Tanzaniaanse overlevende van de Schip­hol­brand A., waarin door de Rechtbank Den Haag (zp. Amster­dam) op 8 november 2005, onder reg. nr. AWB 05/47­715 vonnis werd gewezen, wordt op dit punt overwogen:

 

"Eiser heeft tijdens de brand in grote angst ver­keerd, aangezien hij gedurende de brand opgesloten heeft gezeten in een 1-persoonscel. Tijdens de brand ontstond er grote paniek en heeft eiser in zijn cel veel geschreeuw en gegil waargenomen. Tevens was binnen zijn cel waarneembaar een geur van brandend vlees en werd het warm in zijn cel. De doodsangst waar­in eiser heeft verkeerd maakt dat hij zich ook niet veilig voelt in het DTC Zeist, waar eiser thans verblijft. Het is de vraag of hier aan de veilig­heidsvoorschriften wordt voldaan."

 

Vervolgens beveelt de rechtbank overplaatsing naar een ander detentiekamp, "niet zijnde de Detentieboot Reno te Rotterdam".

 

38.7. Op maandag 14 november brak in Kamp Zeist inderdaad brand uit. Deze kon, evenals op de brand op de de­tentieboot 'Reno', snel worden geblust.

38.8. Tekenend voor hoe er, na de ramp, op een volstrekt onmen­selij­ke manier met zwaar getraumatiseerde men­sen werd gesold, is het volgende bericht van de Leeuwarder Courant van 5 novem­ber 2005:

 

" Sevenum (GPD) - Een vrouw die de cellenbrand op Schiphol overleefde heeft het drama herbe­leefd toen ze werd overgeplaatst naar de open vrouwengevangenis Ter Peel in het Limburgse Sevenum. De getraumati­seerde vrouw belandde daar midden in een oefening van de brandweer. Een woordvoerster van het ministe­rie van justi­tie noemt het een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De brandoefening was reeds lang van tevoren gepland. 'Het moet voor die vrouw af­schuwelijk zijn geweest, te meer omdat ze niet wist dat het om een oefening ging', aldus de woordvoer­ster. De vrouw zou op Schiphol-Oost een cel hebben gedeeld met een vrouw die bij de brand om het leven kwam."

 

38.9. Halverwege de maand November 2005 blijkt uit berich­ten dat een deel van de overlevenden naar het deten­tiecentrum Loyd's Hotel in Amsterdam wordt overge­bracht. Ook hier is sprake van een overvolle situa­tie.

Op 1 december 2005 wordt bekend dat deze detentiein­richting is afgestemd op 66 plaatsen, doch dat daar op dat moment dan 95 mensen zijn ingesloten, en dat minister van Justitie Donner zich op het standpunt stelt dat een verdere uitgroei tot 135 als accepta­bel valt te beschouwen.

 

39. Overplaatsing naar strafcellen van psychisch aange­taste en getraumatiseerde overlevenden

 

39.1. Groen Links-Kamerlid Vos weet, in de Vo­lks­krant van 2 novem­ber 2005, te mel­den dat in een aantal geval­len zelfs overleve­nen, onmid­dellijk na de overplaat­sing de dag na de ramp, in iso­leercel­len worden gezet. Zij s­telt, aldus de Vo­lks­krant van 2 november 2005: 'Dat vind ik bizar'.

 

39.2. Minister Verdonk antwoordt hierop, aldus het Refor­mato­risch Dagblad van 2 november 2005, dat 4 overle­venden in een isoleer­cel zijn gezet 'om ge­zond­heids­redenen'. En dat dit zou zijn gebeurd 'op advies van een arts en een psychia­ter'.

 

39.3. Zo'n opmerking is het toppunt van cynisme in het licht van de drin­gende be­hoefte aan behandeling en begeleiding van getrauma­tiseerden die een dergelijke ramp overleefd hebben. Er is ook geen enkel psychia­trisch handboek dat bij preventie en behandeling van post traumatic stress disorder opsluiting in een isoleercel aanbeveelt.

39.4. Minister Donner ontkende, op 10 november 2005, in de Tweede Kamer dat overlevenden in isoleer­cellen zou­den zijn gezet. Ze zouden in 'observatie­cellen' ge­plaatst zijn.

Hij vertelde er niet bij dat dit dus pre­cies de­zelf­de cellen betreft.

 

39.5 In de Volkskrant van 12 november 2005 deed het C­hris­tenUnie-Kamerlid Huizinga verslag van een be­zoek aan Kamp Zeist, en vermeldde dat een Nigeri­aan­se overlevende in Zeist vijf dagen in een derge­lijke cel, door haar betiteld als 'een isoleercel', opge­sloten was geweest. 'Hij moest slapen op een vieze matras met een vies kussen', aldus Huizinga.

 

39.6. Het Kamerlid voegde daar aan toe, aldus de Volks­krant van 12 november 2005: 'Hij valt nu nog steeds onder een veel stre­ngere behandeling dan op Schip­hol'.

Hier wordt dus een wrede en onmenselijke behandeling van deze overlevende ten top gedreven.

 

40. Geen sprake van een uitzonderingspositie voor wat betreft het regime van detentie-kampen waarnaar de overlevenden zijn gedeporteerd

 

40.1. Uit de Vo­lks­rant van 29 oktober 2005 wordt voorts even­eens duide­lijk dat de overlevenden op de plekken waar zij naartoe werden gedepor­teerd, op geen enkele manier een uitzonderings­positie krijgen en onder het 'normale regime' vallen.

Zij worden, kortom, vol­ledig als 'norma­le gevangen' behandeld.

 

40.2. 'Op cle­men­tie vanwege de traumatische ervaring in het afge­brande cellen­blok hoeven zij niet te reke­nen', aldus weder­om de Volkskrant van 29 oktober 2005, die daar, als uitspraak van de voorlichter van Justitie, Hans Jan­sens, nog aan toevoegt: 'Ik heb geen aanwijzingen dat daarover wordt gesproken.'

 

41. Onthouding van systematische en gestructureerde nazorg en psychische hulpverlening aan de slachtof­fers

 

41.1. De overlevenden wordt voorts ook iedere syste­ma­tisch ge­plande en ge­structureerde vorm van nazorg, alsmede van psychi­sche hulp­ver­lening, ont­hou­den.

 

Ook als er sprake zou zijn geweest van een te goeder trouw nako­men van de zogenaamde 'nazorg-maatrege­len', die minister Donner en minister Verdonk bij brief van 1 november 2005 aan de Tweede Kamer pre­senteer­den, zou daar­mee van een zodanige systemti­sche en adequate zorg voor de slacht­offers geen sprake zijn.

 

41.2. Zoals echter hierna, aan de hand van onafhankelijk van elkaar afgelegde getuigenverklaringen en ge­rech­telijke vonnis­sen nog voor het voetlicht zal worden gebracht, kwam zelfs van deze vanuit medisch-thera­peu­tisch oogpunt volstrekt niets voorstelllende zoge­naamde 'nazorg-maat­regelen' van minister Donner en minister Verdonk, in veel individuele gevallen niets terecht.

 

42. Getraumatiseerde en geshockeerde overlevenden van de ramp onderworpen aan het tegendeel van een opvang in een omgeving van veiligheid, erkenning, vertrouwd­heid en sociale en materiële ondersteuning

 

42.1. Ontbrak het dan ook veelal zelfs aan wat voor inci­dentele medische en psychologische opvang en nazorg dan ook, van structurele psychische zorg jegens de slachtof­fers is in elk geval op enig moment in het geheel geen sprake geweest.

 

42.2. Niet alleen werden de overlevende illegalen, zonder enige extra zorg van betekenis en zonder enige om­zichtigheid, onmiddelijk na de brand naar andere detentie-centra overgebracht en werd aldus de over­le­venden geen rust en ruimte geboden om deze vrese­lijke erva­ring, buiten de gevangenis, met deskundige hulp te proberen te ver­werken, maar dikwijls werden zij zelfs naar ande­re deten­tie-kampen overgebracht, zoals de Rot­ter­damse deten­tie­boot en Kamp Zeist, waar de dagelijkse detentie-omstandig­he­den voor hen nog slec­hter waren dan eer­der in Schip­hol-Oost.

 

42.3. Daaraan wordt niet afgedaan doordat, naar de Leeu­warder Courant van 17 november 2005 wist te melden, een zestigtal van de overle­ven­den die aanvankelijk naar Kamp Zeist, de Rot­ter­damse detentieboten en een aantal andere detentie-kampen waren gedepor­teerd, omstreeks half november 2005 weer zouden zijn door­ge­plaatst naar 't Nieuwe Loyd, zoals minister Donner op die dag schriftelijk aan de Tweede Kamer had laten we­ten, alwaar voor hen betere opvang-condities zouden kunnen gelden.

 

42.4. Psychiaters, verbonden aan het Centrum 40-45 in Oegstgeest, hebben recentelijk herhaaldelijk duide­lijk gemaakt, onder anderen in een NOVA-uitzending van 17 november 2005, dat voor een zorgvuldige be­handeling van getraumatiseerden, een acute opvang in een omgeving van veiligheid, erkenning, ver­trouwd­heid en van sociale en materiële ondersteuning van fundamentele beteke­nis is.

 

42.5. Daarbij geldt dan ook nog dat personen, die in hun land van herkomst of elders, al eerder het slachtof­fer zijn geweest van traumatische ervaringen, extra kwestbaar zijn, en extra zorg en aandacht nodig hebben.

Ook het vaststellen van dergelijke eerdere trauma's vereist een systematisch en nader op de persoon­ gericht onderzoek onder alle overlevenden, waarvan in het geheel geen sprake is geweest.

 

42.6. De afschuwelijke omstandigheden waaronder de slacht­offers, ook na de catastrofale brand, gevangen wor­den gehouden, vormen een regel­rechte bespotting van de omstandighe­den die medisch noodzakelijk zijn te achten om te komen tot welke oprechte poging van behandeling en nazorg ten aanzien van de slachtof­fers dan ook.

 

42.7. Amnesty International laat hierover, in diens ver­klaring van 21 november 2005 onder de titel "Laat vluchtelingen tot hun recht komen", eerst de onder­zoeksarts Liem aan het woord:

 

"'Als iemand opgesloten is, niet weg kan en getuige is van een levensbedreigende brand, is dit voor vrijwel iedereen een traumatische gebeurtenis. [...] In het uitzetcentrum van Schiphol zaten ook uitge­procedeerde asielzoe­kers. De kans dat zij in hun vaderland geweld­dadigheden hebben meegemaakt en daardoor ge­traumatiseerd zijn geraakt, is zeker niet denk­beelding. [...] Als iemand in het (recente) verleden een traumatische ervaring heeft opge­lopen (in het land van herkomst) en nu opnieuw een trauma­tische gebeurtenis meemaakt (reci­dief) is de kans op ernstige psychische schade zeer groot. De kans op het ontwikkelen van een echte post traumatische stress stoornis is dan aanzienlijk.'"

 

42.8. Waarna deze verklaring van Amnesty als volgt verder gaat:

 

"In een rapport van Amnesty International uit 1999 over detentie van asielzoekers in de Ver­enigde Sta­ten werd hierop al gewezen."

 

43. Ernstige psychische schade en het ontwikkelen van een post-traumatische stress-stoornis een imminente drei­ging voor overlevenden als gevolg van de aan hen opgedrongen afschuwe­lijke detentie-om­standighe­den­

 

43.1. Geldt dus al dat, normaal gesproken, in uitzicht­loze detentie-om­standigheden sprake is van een zoda­nig lijden, dat psychiatrische stoornissen daarvan het gevolg kunnen zijn, des te erger moet het lijden zijn van mensen die in een dergelijke uitzichtloze detentie-situ­atie worden gedwongen, die al eer­der getraumatiseerd zijn geraakt in hun land van her­komst en des te groter is de kans dat zij chroni­sche psychiatrische klachten ontwikke­len.

 

43.2 Terwijl dan mensen die zo'n afschuwelijke en trauma­tiser­ende erva­ring achter de rug hebben als de over­levenden van deze gru­we­lijke brand, en die dan ver­volgens door de ministers Don­ner en Verdonk in de barre deten­tie-omstandigheden worden ge­plaatst als hier het geval is, hele­maal onderworpen worden aan een ondraa­glijk psy­chisch lijden.

 

43.3. Hier is dan ook, op zichzelf reeds, evident sprake van een wrede en onmenselijke behandeling, die ge­makkelijk kan lei­den tot blijvende ernstige geeste­lijke aandoenin­gen.

 

43.4. Meer recent herhaalde Amnesty International haar zorgen in dit verband in een rapport over detentie van asiel­zoekers in Austra­lië. In dit rapport stelt de organisatie:

 

"Amnesty International is concerned that asylum seekers in detention are experien­cing significant levels of mental illnes­ses. There is mounting evi­dence that de­tainees, particularly those who are kept in prolonged or indefinite detention, are at high risk of experiencing chronic de­pression, inci­dents of self-harm or at­tem­pted suicide. [...] De­tention centers don't operate as hospitals and in no way can be said to be therapeutic."

(Amnesty International, The impact of in­defini­te detention: the case to change Australia' s mandatory detention regime, AI Index: ASA 12/001/2005, p. 21-22, 30 June 2005)

 

43.5. Am­nesty baseert zich hierbij op diverse inter­na­tio­nale studies en andere gezaghebbende bron­nen over de licha­melijke en psychische effecten van vreemdelin­gendetentie op de gezondheidstoe­stand van gede­ti­neerde vreemdelingen.

(zie bijvoorbeeld: 'Mental health of detained asylum seekers', The lancet 2003; 362: 1721-23 en 'Mental illness in detained asylum seekers', The Lancet 2004; 364: 1283-84)

 

43.6. Zo meldt de British Medical Association (verge­lijk­baar met de Nederlandse KNMG) over de de­tentieomge­ving:

 

"Confinement [...] increases the chance of ill- he­alth, creates optimal conditions for infections and minimal opportunity for early diagnosis and treat­ment. [...] The general prison system is no place for the mentally ill."

(Britisch Medical Association, The Medical Professi­on & Human Rights. Handbook for a Changing Agenda, London : Zed Books and BMA 2001, p. 97 en 115)

 

De publicatie geeft diverse voorbeelden waarin het niet opvolgen van medisch adviezen ten behoeve van gedetineerde vreemdelingen heeft geleid tot ernstige gezondheidsklachten.

 

43.7. Ook de medische mensenrechtenorganisatie Physi­cians for Human Rights geeft met zoveel woorden aan dat detentie voor getraumatiseerde asiel­zoekers (lees: vreemdelingen) desastreus kan zijn:

 

"Trauma and torture can directly and indi­rectly affect a person's ability to functi­on. [...] For asylum seekers held in de­tention it may be very difficult to assess changes in overall function. The individu­al is held in artificial circumstances wit­hout a 'normally' daily life and wit­hout opportunity to work or to function in a 'normal' setting.

(Physicians for Human Rights, Examining asylum see­kers. A Health Professional's Guide to Medical and Psychological Evalua­tions of Torture, New York 2001, p. 81)

44. Anti-Folter Comité: het opleggen van langdurige detentie kan, bij ern­stige getraumatiseerdheid, het karakter aannemen een wrede of onmenselijke behande­ling in de zin van het Anti-Folterverdrag

 

44.1. Tenslotte wijst Amnesty International nog op een overweging uit een 'view' van het Anti-Foltercomité van 12 mei 1999 in de zaak A. v. The Netherlands. Weliswaar handelt de betrokken 'view' van het Comité over een mogelijk slachtoffer van marteling, maar Amnesty International is van mening dat de opmerking die het Comité maakt ten aanzien van detentie ook van toepas­sing kan worden geacht op slachtoffers van ande­re traumatiserende gebeurtenissen, zoals de brand op Schiphol.

Het Comité overwoog hier onder meer:

 

"9. The Committe wishes to express its concern about the fact that the author has been held in detention since his arrival in the Netherlands on 24 November 1988 , i.e. only two months after he was alleged­ly tortured. The Committee considers that if torture did indeed take place, the fact of keeping him in detention for such a prolonged period could have an aggravating effect on his mental health and ultima­tely amount to cruel or inhuman treatment."

(View of the Committee against Torture in A. v. The Netherlan­ds , CAT/C/22/124/1998, 12 mei 1999, NAV 1999/86, p. 372-377)

 

44.2. Indien het opleggen van langdurige detentie aan personen die kort voordien getraumatiseerd zijn door marteling, in de opvatting van het Anti-Folter Co­mité het karakter kan aannemen van een wrede of onmenselijke behandeling in de zin van het Anti-Folter Verdrag, dan geldt dit ook voor personen die overlevende zijn van een afschuwelijke traumatise­rende ervaring van de brand in Schiphol-Oost, die onmiddellijk daarna weer voor onbepaalde tijd in barre detentie-omstandigheden werden opgesloten.

45. Elke uitvoering van onderzoek naar de trauma­tische ervaringen onder de overlevenden volgens door Amnes­ty International benadrukte wetenschap­pelijke stan­daards is volstrekt achterwege gelaten - Istanbul Protocol

 

45.1. In deze verklaring van 21 november 2005 gaat Amnesty International verder in op het door de regering 'aangekondigde onderzoek naar de traumatische erva­ringen van de overlevenden van de brand'.

Van zo'n onderzoek is, in passende en acceptabele vorm, niets terecht gekomen, maar Amnesty Internati­onal wijst erop dat een dergelijk onderzoek in elk geval aan professionele standaards zou dienen te voldoen.

 

45.2. Amnesty International verwijst in dit verband naar het Istan­bul Proto­col en de waarborgen die dit zou bieden voor het doen van wetenschappelijk verant­woord medisch onderzoek naar de geestelijke toestand van de over­le­venden van de gruwelijke brand.

 

45.3. Het Istanbul Protocol van 9 augustus 1999 is een internationaal erkend protocol voor medisch onder­zoek bij slachtoffers van marteling. De algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft de waarde ervan bevestigd door het aan te nemen in Resolutie A/Res/55/89 van 22 februari 2001. Het protocol is onder meer te vinden op www.ohchr.o­rg/en­glish.

 

45.4. De verklaring van Amnesty International van 21 no­vember 2005 stelt dan onder meer nog:

 

"Het eerder genoemde Istanbul Protocol gaat er van uit dat slachtoffers persoonlijk worden onderzocht en dat daarvan een uitgebreide rap­portage wordt opgesteld."

 

45.5. Dit is dus, zoals reeds aangegeven, door de mi­nisters Donner en Verdonk volstrekt achterwege gela­ten.

Dat dit opzettelijk achterwege is gelaten, vormt daarbij een feit.

45.6. Kennelijk is dit door de ministers Donner en Verdonk opzettelijk achterwege gelaten onder het motto 'wat niet weet, wat niet deert'.

Niets wijst erop dat dit anders zou liggen.

 

46. De motie-Lambrechts, als oproep tot het doen van zorgvuldig onderzoek ten aanzien van iedere overle­vende, opzettelijk beperkt geinterpreteerd door de ministers Donner en Verdonk

 

46.1. In dit verband wordt verwezen naar de motie-Lam­brechts van 10 november 2005, waarin onder meer werd overwogen:

 

"[...]dat het van een onnodige hardheid zou getuigen indien het risico zou bestaan dat de Nederlandse overheid overlevenden van de Schip­holbrand terug­stuurt naar landen van herkomst voordat er duidelij­ke garanties voor adequate medische en psychologi­sche verzorging aldaar zijn;

 

Verzoekt de regering niet tot uitzetting van overle­venden van de Schipholbrand over te gaan zolang er geen sprake is van een zorgvuldige, onafhankelijke medische en psychologische be­oordeling van de over­levenden",

 

waarop door minister Verdonk in het spoeddebat van 17 november 2005 in de Tweede Kamer werd aangegeven dat alle overlevenden medisch zouden worden ge­screend alvorens tot uitzetting over te gaan.

 

46.2. Maar onmiddellijk werd daarbij voorts door minister Verdonk werd aan­gegeven dat die screening dan, wat haar betreft, uitslui­tend zou plaatsvin­den in het kader van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000, namelijk omtrent de vraag of de betrokken overleven­den al dan niet in staat zouden zijn om te reizen. Terwijl door door minister Verdonk verder uitdrukke­lijk nog bij werd gesteld dat die screening dan zou dienen plaats te vinden door het Bureau Medische Advisering (BMA), dat dan ook zou dienen te bekijken of er medische voorzieningen in het land van her­komst aanwezig zijn.

 

46.3. Minister Verdonk versmalt aldus opzettelijk de mo­tie-Lambrechts tot een oproep tot een medisch onder­zoek naar, en een medische beoordeling van, de vraag

of de betrokken overlevende medisch in staat is om te reizen, en of er in het land van opvang medische voorzieningen zullen zijn.

Een interpretatie die de Kamermeerderheid vervolgens over zijn kant laat gaan, maar waarbij een zorgvul­dig individueel medisch onderzoek en een onafhanke­lijke individuele medi­sche en psychologische beoor­deling van de overleven­den definitief achter de horizon verdwijnen.

 

46.4. De verklaring van 21 november 2005 van Amnesty In­ternational legt in dit verband dan vervolgens na­drukke­lijk de vinger op het volgende manco:

 

"Het eerder genoemde Istanbul Protocol gaat er van uit dat slachtoffers persoonlijk worden onderzocht en dat daarvan een uitgebreide rap­portage wordt opgesteld. Het is Amnesty Inter­national bekend dat het BMA, dat de screening naar verluidt zal uitvoe­ren, in de regel geen persoonlijk onderzoek ver­richt. Amnesty Inter­national meent dat persoonlijk onderzoek van belang is voor een deugdelijke medi­sche scree­ning. De vraagstelling moet daarbij niet be­perkt worden tot de kwestie of iemand kan rei­zen. De screening zoals door u voorgesteld omvat naar de mening van Amnesty International een te beperkte medische evaluatie van de situ­atie van de overleven­den.

 

Amnesty International begrijpt uit de motie dat 'er garanties dienen te bestaan'. Dit betekent naar de mening van de organisatie niet alleen de aanwezig­heid van voorzieningen, maar ook de feitelijke toe­gang daartoe. Dat vraagt naar de mening van Amnesty International om een verder­gaand onderzoek dan lou­ter de vaststelling dat er medische voorzieningen in het land van her­komst aanwezig zijn."

 

46.5. Maar deze kanttekeningen, en de daaraan gekoppelde pleidooien van Amnesty International om wél een indivi­dueel medisch onderzoek te doen met be­trekkking tot alle overlevenden, en dat niet te beperken tot de vraag of de betrokkenen medisch in staat moeten worden geacht om te reizen, alsmede niet te blijven staan bij de vraag of er in het beoogde land van opvang medische voorzieningen zijn, maar ook daarin de vraag te betrekken naar de toe­gan­kelijkheid hier­van voor de uitgewezen slachtof­fers van de ramp, vermochten op minister Verdonk geen enkel effect te hebben.

 

46.6. Aldus wisten minister Donner en minister Verdonk, met steun van een moreel failliete kamermeerderheid, elk aanzet tot systemtisch en wetenschappelijk ver­antwoord medisch onderzoek naar de psychische ge­steldheid van de overlevenden van ramp effectief in de kiem te smoren.

 

47. Het dumpen van ieder vorm van medische zorg bij het dumpen van overlevenden op straat

 

47.1. Van medisch onderzoek aan, alsmede medische verzor­ging van, overleven­den die zonder meer op straat worden gedumpt, is, zo hebben de ministers Donner en Verdonk - met impliciete steun van een moreel fail­liete kamermeerderheid - bepaald, al helemaal geen sprake. Dit chapiter wordt, in de politieke dis­cours, geheel buiten beschou­wing gelaten.

47.2. De ministers Verdonk en Donner grijpen de impliciete vrijbrief die een moreel failiete parlementaire meerderheid hun ook op dit gebied geven, onmidde­llijk aan om, voor zover er, in indi­vi­duele ge­val­len, dan al sprake was van enig medisch medisch contact, dit onmid­dellijk te doen afkappen in alle geval­len dat overle­venden op straat worden gezet.

47.3. De getuigenissen zijn op dit punt anoniem en slui­tend.

Zij zijn allemaal geheel in lijn met wat advocaat de Kok moest ervaren met betrekking tot een Georgische cliënt, die de brand had overleeefd. ­Het­geen in de Lee­warder Courant van 12 november 2005 als volgt werd weerge­geven:

 

"De Georgiër is inmiddels zonder verdere behan­deling met 15 euro op straat gezet."

 

47.4. En de Volkskrant berichtte op 12 november 2005, met betrekking tot een tweetal over­levenden die inmid­dels op str­aat waren gezet, en bij de vluchte­lingen­or­ganistie Prime bescherming hadden gezocht, op dit punt aldus:

 

"Zij zijn officieel illegaal nu en hebben geen dak boven het hoofd. 'Zij zijn getraumatiseerd, maar zien nu helemaal geen psycholoog meer'."

 

47.5. Talrijke berichten maken sedertdien melding van overlevenden, die zwaar getraumatiseerd en soms volkomen verdwaasd, zonder enige verdere medische zorg door minister Donner en minister Verdonk let­terlijk op straat zijn gedumpt.

 

48. Schijn-manoeuvres van de ministers Donner en Verdonk met betrekking tot inzicht in de medische toestand van de overle­venden

 

48.1. De Leeuwarder Courant bericht­te op 17 november 2005 dat justi­tie inmiddels zou hebben vastgesteld hoe het met de mate van getraumatiseerdheid van de slac­htoffers en overle­venden van de ramp gesteld zou zijn:

 

"Uit de stukken van de medische dienst van justitie blijkt dat vijf overlevenden van de brand, die in totaal elf vreemdelingen het leven kostte, ernstig zijn getraumatiseerd. Nog eens twaalf personen heb­ben 'stress sympto­men'."

 

48.2. Nu er echter, klip en klaar, vanaf de eerste aanvang van een structureel en individueel psycho-patholo­gisch onderzoek van de slachtoffers van de ramp geen spra­ke is ge­weest, en niets erop wijst dat iedere over­levende, door daartoe competente medici, op dit punt zou zijn gedi­agnosticeerd, kan niet anders worden geconclu­deerd dan dat de bewering van minis­ter Don­ner en minister Verdonk dat 'vijf overleven­den ern­stig zijn ge­traumatiseerd' en 'twaalf anderen stress sympto­men' zouden hebben, een slag in de lucht vo­rmt.

 

48.3. Blijkbaar proberen de ministers Donner en Ver­donk op die manier de misleidende indruk te wekken dat zij, voor wat betreft de psycho-pathologische ge­volgen voor de overlevenden, de vinger aan de pols hebben, en pogen zij ook zo de schijn op te houden van zorg­vul­dig medisch handelen.

 

48.4. Tevergeefs, want van een werkelijke poging tot ade­quate nazorg en behandeling is evident geen sprake.

 

48.5. Ook psychiaters verbonden aan het Centrum 40-45 te Oegs­tgeest, hebben recentelijk eveneens her­haalde­lijk duide­lijk gemaakt, dat diagnoses op het gebied van post traumati­sche stress stoornis en andere stress symp­tomen slechts kunnen worden ge­steld op basis van zorgvul­dig en deskundig onder­zoek.

 

48.6. Nu minister Verdonk, middels de wel zeer enge uitleg die zij stelde aan de motie-Lambrechts te willen geven, zelf ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt dat van enig wetenschappelijk verantwoord medisch onder­zoek naar de psychische toestand van de overlevenden geen sprake zou zijn, vallen er door de ministers Verdonk en Donner dan ook geen cijfers te geven omtrent het aantal getraumatiseerden en anderszins met psy­chische aandoeningen te kampen hebbende over­levenden van de ramp, anders dan op basis van natte vinger-werk.

 

48.7. Het is op zich al verbijsterend, en in elk geval volstrekt onaanvaardbaar, dat de ministers Donner en Verdonk op deze volstrekt misleidende manier de ware omvang van het psychisch lijden dat door hen is aangericht trachten te ver­donkeremanen.

 

49. De door de ministers Donner en Verdonk voorgespie­gel­de minieme en ondermaatse opvang en zorg.

49.1. De volledig ontoereikende maatregelen die mi­nister Donner en minister Verdonk voor de op­vang en nazorg van slachtoffers en overlevenden van de ramp wél in petto zegden te hebben, werden in de brief aan de Tweede Kamer van 1 novem­ber 2005 , voor zover in dit ver­band van bete­kenis, als volgt weer­gegeven:

 

"Aan de personen die zijn overgeplaatst naar andere detentiecentra wordt - evenals aan de overige be­trokkenen - maximale zorg en begelei­ding geboden. Direct na aankomst in de inrich­ting heeft een afzon­derlijke intake plaatsge­vonden door zowel een mede­werker van de medi­sche dienst als door een terug­keerfunctiona­ris."

 

49.2. Daarbij moet dan onmiddelijk worden aangetekend dat noch een 'terugkeerfunctionaris', noch de gemiddelde 'mede­werker van de medische dienst' - nota bene: dat kan dus ook een gewoon verpleegkundige zijn - aan­ge­merkt kan worden als deskundige op het gebied van het diagnosticeren van trauma's. Waarbij er boven­dien op moet worden gewe­zen dat bovendien de kwali­teit van de 'medi­sche diensten' van detentiekampen voor illega­len de laatste jaren van officiële zijde her­haalde­lijk als beneden de maat aan de kaak is gesteld.

 

49.3. Niettemin zou deze 'intake' dan verder bepalend worden gemaakt voor, al dan niet, een vervolgtraject naar verdere medische zorg:

 

"Op basis van deze intake heeft waar aangewezen verwijzing plaatsgevonden heeft naar de inrich­tings­arts, dan wel een psycholoog of psychia­ter. Hiertoe waren de medische dossiers van betrokkenen direct vanuit Schiphol overgebracht en waren extra psycho­logen in de inrichting aanwezig."

 

49.4. Met andere woorden: of iemand, volgens de hier be­weerde opzet, zou worden verwezen naar enige medi­cus, en wat voor medicus dit dan wel was - inrich­tings­arts, psycholoog of psychiater -, zou dan wor­den be­paald door 'een terugkeerfunctionaris' en/of 'een medewer­ker van de medische dienst'.

Dat wil zeggen door perso­nen die daarvoor niet waren ge­­­­­­­­­­quip­peerd.

 

49.5. Bovendien laat deze brief aan de Tweede Kamer vol­strekt in het midden wat die 'verwijzing' dan wel voor betekenis zou dienen te hebben. Een eenmalig gesprek ? Van een half uur ? Of een eerste aanzet voor verdere traumazorg ? En hoe dan wel ?

 

49.6. Er 'waren extra psychologen in de inrichting aanwe­zig', stellen de ministers Donner en Verdonk in deze brief aan de Tweede Kamer. Als dat zo was, was dit kennelijk alleen op die dag van de overplaatsing.

Anders was daar wel geschreven: 'Er zijn extra psy­chologen in de inrichting aanwezig'.

Het Refor­matorisch Dagblad van 2 novem­ber 2005 ver­meldt dat het, vol­gens minis­ter Ver­donk, hierbij ging een team van 12 psy­cho­lo­gen.

 

49.7. Latere berichten maken er melding van, zoals bij­voor­beeld de Volkskrant van 10 novem­ber 2005, dat het Insti­tuut voor Psycho­trauma zou zijn ingescha­keld, maar minister Donner ver­biedt om bekend te maken om hoeveel deskundigen het hier gaat en wat hun precie­se taakopdracht en werkwijze zou zijn.

 

49.8. Voorts stelt deze brief aan de Tweede Kamer dan:

 

"Binnen de inrichtingen worden de gedetineerden afkomstig uit Schiphol zo veel mogelijk in elkaars nabijheid geplaatst..."

 

Een gratuite bewering, afhankelijk van de plaats­ruimte, en die ontbreekt in veel gevallen.

 

De bedoeling van deze aanloop is om hier een - gra­tis - pseudo-nazorg-element te kunnen scoren. Want die beweerdelijke 'zo veel mogelijke bijeenplaat­sing' zou dan gebeuren:

 

"..met het oog op de verwerking van de trauma­tische gebeurtenissen."

 

Da's dus een wel heel gemakkelijke en goedkope ma­nier van 'trauma-zorg' !

 

49.9. Dan noemen de ministers Donner en Verdonk in deze brief aan de Tweede Kamer als verdere maatregelen tenslotte nog:

 

"Er vinden zowel individuele als groepsgesprek­ken plaats, waarbij de geestelijke verzorgers een be­langrijke rol vervullen."

Kennelijk is het hier de opzet van de ministers Donner en Verdonk om geestelijke ver­zorgers in hoge mate te benoemen tot 'trauma-behande­lingsdes­kundi­gen'.

 

49.10. Dat dit inderdaad de bedoeling is, blijkt uit de vervolgzin, waarin wordt gesteld:

 

"Daarnaast zijn in de locaties waar personen uit Schiphol nu verblijven gezamenlijke bijeen­komsten gehouden onder leiding van de geeste­lijke verzor­gers."

 

Hierin wordt dus in feite nog eens herhaald wat in de vorige zin al stond. En wordt dus nog eens bena­drukt dat hier 'de geestelijke verzorgers' wor­den geacht op te treden als 'trauma-behandelingsdeskun­digen'.

50. Zelfs de minieme en ondermaatse zorg en opvang die de minis­ters Donner en Verdonk stelden voor de sla­cht­of­fers en overle­venden van de ramp georga­ni­seerd te hebben werd door hen niet geleverd

50.1. Maar zelfs van de hier door minister Don­ner en mi­nis­ter Ver­donk jegens de Kamer toegezegde volstrekt ontoereiken­de 'hulp­verlening' en 'nazorg' aan de getrauma­tiseerde slachtoffers en overlevenden van de ramp, in een daarvoor vol­komen ongeschikte setting van detentiecentra die zelfs niet aan de internatio­nale standaards van detentie-opvang vol­doen, kwam in de prak­tijk vrijwel niets terecht.

 

50.2. In het reeds genoemde vonnis van de Recht­bank Den Haag (zp Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/47342, jegens de Tanzaniaanse overlevende van de schiphol­brand A., wordt op dit punt dan ook overwogen:

 

"De rechtbank stelt voorts vast dat eiser ter zit­ting van 8 november 2005 heeft meegedeeld dat hij op de detentieboot meermalen om een arts heeft ge­vraagd, maar dat hij die, ander­halve week na zijn overplaatsing naar de deten­tie­boot, nog steeds niet heeft gezien ondanks de toezegging in de hierboven weergegeven brief. De toezegging van de ge­machtigde van verweerder [Verdonk dus] ter zitting van 8 no­vember 2005 om dit alsnog onder de aandacht te bren­gen van het personeel van de detentie­boot, doet daar niet aan af."

 

50.3. Kortom, minister Verdonk tracht hier, ten aanzien het falen om zelfs maar de toezegde, op zich al v­olstrekt on­toerei­kende 'zorg' te leveren, weg te komen door te zeggen: "We zullen hier onmid­del­lijk alsnog achteraan gaan."

Die vlieger ging dus bij de rechter niet op.

 

50.4. De rechtbank voegt daar, nog dodelijker, aan toe:

 

"Geconcludeerd wordt dat aan de toezeggingen uit de hierboven aangehaalde brief, waar het eiser betreft, geen uitvoering is gegeven, hetgeen door de geach­tigde van verweerder [Ver­donk dus] ter zitting van 8 november 2005 ook niet is betwist ."

 

50.5. De taktiek van minister Donner en minister Verdonk is met dit alles duidelijk. In debatten in de Tweede Kamer over de onmenselijke bejege­ning van de slacht­offers en de overlevenden wordt de vermoorde on­schuld ge­speeld over 'maximale zorg en begeleiding' en 'der­den die een verkeerd beeld sche­ppen', maar voor de rechter, als het op de ge­pleegde daden aan­komt, blijken zij met volstrekt lege handen te st­aan.

 

50.6. Want wat hier gold voor de detentieboot in Rotter­dam, gold ook voor Kamp Zeist.

Ook in deze aangifte reeds genoemde uitspraak van Recht­bank Den Haag (zp Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/477­15, wordt immers op dit punt overwogen:

 

"Eiser heeft verklaard dat toezeggingen van de Mi­nisters, welke zijn neergelegd in de brief van 1 november 2005, in de praktijk niet zijn nagekomen. Eiser heeft bij binnenkomst in het DTC Zeist geen gesprek gehad, noch is aan hem een telefoonkaart uitgereikt. Eiser heeft voo­rts aangegeven klachten te ondervinden met zijn ademhaling, moge­lijk als gevolg van opge­lopen rookschade. Eiser heeft echter slechts eenmaal, kort, een arts gesproken."

 

En ook hier geldt weer:

 

" Dit is door verweerder niet weersproken ."

 

Het vonnis vervolgt dan:

 

"Gelet hierop is aan eiser in het detentiecen­trum waar hij zich thans bevindt een week na de brand nog immer niet de toegezegde zorg ver­schaft."

 

En ook hier weer de poging van minister Verdonk om de verantwoordelijk­heid hiervoor op het bordje van de leiding van het detentiecentrum te schuiven. Waar de rechter dan verder niet op in gaat:

 

"Dat verweerder heeft toegezegd dit onder de aan­dacht van het detentiecentrum te brengen doet hier niet aan af."

 

50.7. Op 4 november 2005 weet de di­recteur van Vluch­te­ling­enwerk Nederland, Na­zarsky, na bo­venge­noemd bezoek van 3 november 2005 aan de Rotter­damse de­ten­tieboot, in de Volks­kant te melden dat slechts één van de acht overlevenden van de ramp, die hij daar te spreken wist te krijgen en die naar de Rotterdam­se deten­tieboot waren gedepor­teerd, tot dan toe een psycho­loog had ge­zien. 'An­de­ren die dat ook wil­den, kregen te horen dat over 10 dagen een beslis­sing daarover zou ko­men'.

 

50.8. Nog op 10 november 2005 verklaarde minister Donner in de Kamer nochtans dat, conform de brief van 1 november aan de Tweede Kamer, iedereen die medische en psycho-sociale zorg krijgt die nodig is, en dat dit al vanaf de het moment van de ramp het geval was g­eweest. Bij de 'intake', die na de brand in het ka­der van de depor­tatie naar andere detentiekampen plaats­vond, waren immers, volgens minister Donner, alle overle­venden door een psycho­loog, dan wel psy-c­hia­ter of psycho­therapeut gehoord. En die zouden, aldus mi­nister Donner in de Tweede Kamer op 10 no­vember 2005, zich daarbij dan een beeld hebben ge­vormd van wat, per over­le­ven­de, aan verde­re psy­chi­sche zorg noodzake­lijk zou zijn.

 

50.9. De suggestie die hierbij wordt gein­troduceerd, is dat als er overle­venden zijn die klagen over totaal gebrek aan opvang, de ministers Donner en Verdonk daarvoor geen blaam treft, maar dat hetzij het hier dan gaat om queru­lanten, die ten onrechte aan­spraak maken op psychi­sche zorg, terwijl toch, bij 'de intake', door 'onaf­hankelijke deskundi­gen' zou zijn vastge­steld dat ze daar, althans voor het moment, geen wezenlijke be­hoef­te aan zou­den hebben, hetzij door deze deskundi­gen bij hun beoordeling tijdens die 'intake' een fout zou zijn ge­maakt, hetzij de deten­tieinstelling waarnaar de overlevenden zijn overge­plaatst fouten zou hebben gemaakt. Hetgeen dan na­tuur­lijk hen, minister Donner en mi­nister Verdonk, niet zou kunnen worden verweten!

 

50.10 Voorts verklaarde minister Donner bij deze gelegen­heid in de Tweede Kamer dat overlevenden hem en minister Verdonk, in per­soon­lijke gesprek­ken die hij met hen inmiddels op de Rotterdamse deten­tieboot had gevoerd, zouden hebben bevestigd dat hun opvang goed was geweest.

 

50.11. Brutaalweg gaan de ministers Donner en Verdonk dan ook in beroep tegen de beide rechterlijke uit­spraken van enkele dagen eerder, waarin de rechter uitge­sproken had dat de minis­ters hun toezeggingen over 'opvang' na de ramp niet waren nagekomen.

 

50.12. Separaat en onafhankelijk van elkaar , wordt daar in getuigenissen van de slachtoffers zelf de werke­lijk­heid tegenover gesteld, zoals onder meer belicht in de Volks­krant op 8 november 2005:

 

"'Niet te gelo­ven wat de minister durft te zeggen', zegt Mustafa ­Bouk­hari door de tele­foon. 'We zitten hier achter de deur en krijgen geen aandacht.'

 

En:

 

"Momen Nouri, die verbleef in de getroffen vleugel K, had vrijdag nachtmerries, zegt Pouri [van vluch­telingenorganisatie Prime]. 'Hij kreeg vier slaap­pillen van een bewaarder, maar heeft geen psycholoog gezien'".

 

50.13. Ook de Leeuwarder Courant van 12 november stelt in dit verband over medische en psycho-pathologische opvang van de overlevenden;

 

"Lang niet allemaal hebben ze een arts gezien. Een gesprek met de pastor of de psycholoog vond pas anderhalve week na de brand plaats. Gehol­pen heeft het niet, zeggen de gevangenen."

 

50.14. Ook de Nigeriaan Oye Adepeju, die een van de over­leven­den was die onmiddellijk na de brand in een strafcel in kamp Zeist werd geplaatst, heeft geen enkele 'intake' gehad, en zag pas voor het eerst een me­disch verzorger, in de vorm van een psychiater, op 14 november, dat wil zeggen 18 dagen na de ramp. Dit was op de dag dat hij voor zijn rechtszaak, waarin zijn advocaat, mr. Denz, voor hem zijn vrijla­ting zou eisen, naar de rechtbank zou worden overge­bracht.

 

Het feit dat hij juist die morgen van de zittingsdag een medicus zag, diende derhalve als een kenne­lijke poging van de zijde van de ministers Donner en Ver­donk om ter zitting te kunnen weerspre­ken dat de Adepe­ju al die tijd iedere medische zorg totaal had moeten ontbe­ren.

 

50.15. Adepeju werd vervolgens echter diezelfde dag door de kamp Zeist-autoriteiten opnieuw gemal­traiteerd, toen bleek dat men hem, alvorens naar de rechtbank te worden overgebracht, opnieuw in de strafcel wilde zetten. Toen hij zich daar in paniek tegen verzette, werd hem, bij wijze van straf, door de directeur van Kamp Zeist overbren­ging naar de rechtbank geweigerd, zodat de behandeling van zijn zaak vervolgens in absentia plaatsvond.

Volgens nadere uitleg van de directeur van kamp Zeist zou plaatsing in de straf­cel in afwachting van transport een routine-behande­ling vormen.

 

50.16. De Leeuwarder Courant van 12 november 2005 maakt voorts melding van berichten van diverse advocaten die er melding van hebben gemaakt dat hun cliënten vlak na hun over­plaatsing naar andere detentie­centra me­thadon kregen aangebo­den.

De krant komt in dit ver­band met het vol­gende voor­beeld:

 

"Volgens advocaat Jan de Kok vroeg een dokter tij­dens een medisch intakegesprek bij aankomst in Zeist of zijn cliënt behoefte had aan metha­don, een medi­cijn met een gelijksoortige wer­king als heroïne."

 

En de krant voegt daar aan toe:

 

"Daarna heeft zijn Georgische cliënt geen arts meer gezien."

 

50.17. En op 11 november 2005 schreef de Volks­krant:

"Vrij, eindelijk vrij. En twee uur later in shock. De Iraanse Massoed Ban Bersa (24) kan niet geloven dat minister Donner van Justitie zegt dat de overle­venden van de Schiphol-brand maximale zorg en bege­leiding hebben gekregen. 'Ik ben een gebroken men­s'."

 

En:

 

"'Hoe kan minister Donner dat allemaal zeggen. Wij krijgen geen goede zorg en dat hebben men­sen hem ook gezegd.' De minister bracht woens­dag een bezoek aan de detentieboot en sprak met vier overlevenden. 'Ik wilde met hem praten, maar dat mocht niet'."

 

En:

 

"'Momen Nouri heeft hem gesproken', zegt Mas­soed. 'Die heeft tegen de minister gezegd dat de zorg niet goed was'."

 

En:

 

"Massoed zelf vindt dat ook. Hij kreeg een medische indicatie op de dag van de ramp. 'Maar ze stellen geen vragen over de brand. Ze vroe­gen of ik aids had en dat soort zaken. Hij vroeg naar een psycholoog, die volgens hem vier dagen later kwam. 'Hij gaf me twee slaaptablet­ten en zei dat ik het daarmee moest doen'. Twee dagen later kwam 'een goede psycholoog' langs. De Iraanse student heeft sinds de ramp slape­lo­ze nachten. Vooral de cel beangstigde hem. 'Voor het eerst in mijn leven dacht ik: was ik maar niet geboren.' Zes dagen na de brand sprak Massoed een 'goede psycholoog'. 'Maar vooral die boot was ver­schrikkelijk. Het regime is daar helemaal niet inge­steld op personen die zo'n trauma hebben'."

50.18. In het interview met hem, dat het magazine Trajec­tum' van 21 november 2005 plaatste, verklaarde Mas­soed Ban Ber­sa:

 

"De intake op de bajesboot bestond uit vragen of je aids had, allergisch was en zelfmoordpo­gingen had gedaan."

 

En, na te hebben aangegeven dat hij zijn cel op de detentieboot moest delen met drie andere asielzoe­kers, die na de gebeurtenissen lijden aan slapeloos­heid en daarvoor elke nacht twee slaappillen krij­gen:

 

"'Daarmee kon je dan drie, vier uur slapen.'

 

50.19. Met welk gebrek aan zorgvuldigheid het daar, qua medische verzor­ging, verder toeging, wordt nog eens onderstreept door de volgende ervaring die Ban Bersa daar opdeed:

 

"De avond voordat hij zich weer bij de recht­bank moet melden, krijgt een celgenoot vier pillen en Ban Bersa niets. 'U staat niet op de lijst', zeiden ze."

 

50.20. Op 12 november 2005 komt de Volkskrant met een ge­tuigenis van de schoonzuster van de in de gruwel­nacht omgekomen Mehmet Avar, Nevi Igli, die inmid­dels op de detentieboot heeft gesproken met Momen Nouri:

 

"Zij bezocht Nouri met een tolk, om meer te weten te komen over de dood van Mehmet. Hij zat in vleugel K, waar elf vreemdelingen omkwamen. 'Nouri zag Mehmet brandend gillen, maar de bewaarster ging er met de sleutel vandoor'."

 

50.21. Over de geestelijke toestand van Nouri, alsmede de psychotherapeutische zorg die hij ontvangt, wordt dan het volgende verhaald:

 

"'Ik heb daar een man aangetroffen, gewikkeld in een wit laken'. Zijn kleren zijn verloren gegaan, een advocaat heeft hij niet. Althans hij heeft hem niet gezien."

 

En:

 

"De overlevende is gekweld, zegt Igli, omdat hij niets voor de anderen kon doen."

 

En, aldus haar verdere verklaring:

 

"Zijn ogen stonden verwilderd, je hoeft geen psychi­ater te zijn om te zien dat het slecht met Momen Nouri gaat. Dat hij hulp nodig heeft. Hoe durven de ministers zo het Neder­landse volk voor te liegen'"?

 

En:

 

"Vrijdag belde Nouri naar vluchtelingenorgani­satie Prime, die dat gesprek heeft opgenomen. Ook de ge­vangene zelf begrijpt niets van de uitspraak van de minister dat de zorg voor overlevenden 'maximaal' is. 'Donner zegt dat ik tevreden ben. Dat ben ik niet. Ik heb pijn in mijn hart en ben 's nachts bang. De dokter geeft me alleen slaaptabletten. Mijn hart gaat tekeer, ik weet niet of ik leef of dood ben. Dat alles heb ik verteld aan Donner."

50.22. Ook de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 laat Momend Nouri aan het woord:

 

"'Ik kan de nacht maar niet vergeten', zegt Momen Nouri. 'Ik heb mensen zien branden. Het leken wel gekken, zoals ze rondrenden. Mijn ogen zijn nu schu­ldig. Ik wil mijn verhaal kwijt, maar er zijn nergens tolken. Zonder pillen slaap ik niet meer. De nachten zijn verschrikkelijk. In mijn dromen zie ik branden­de mensen.'"

 

50.23. En de Volkskrant van 12 november 2005 stelt hier:

 

"Ook de Algerijn Benai zat tijdens de ramp in vleu­gel K. Hij was al in shock, zegt hij. 'Maar ik ben meer geshoc­keerd over de antwoorden van Donner'. Ook hij heeft met de minister gespro­ken. 'Ik heb Donner gezien en al mijn klachten verteld. Er zijn hier te weinig medicijnen en er is maar één dokter'. Volgens beide gedeti­neerden heeft de bewindsman met twee anderen gesproken die nauwelijks Engels of Neder­lands kunnen spreken. 'Er was geen tolk'."

 

51. Verdere deplorabele detentie-omstandigheden voor de slachtoffers van de ramp op de detentieboot 'Reno'

 

51.1. Over de verdere detentie-omstandigheden op de Rot­terdam­se detentieboot 'Reno' weet directeur Nazarski van Vluch­telin­gen­werk Neder­land, na zijn bezoek op 3 november 2005 aan deze bajesboot, in de Volks­krant van 4 no­vember 2005 voorts nog te melden dat de mensen op de deten­tie­boot - en dat geldt dus ook voor de getrau­mati­seerde overlevenden van de ramp - maar één keer per dag een half uur mogen luchten.

 

51.2. En tot slot weet hij daar dan , aldus de Volks­krant van 4 november 2005, ook nog aan toe te voegen dat voed­seluit­rei­king op de detentieboot slechts één keer­ per dag plaats vindt.

 

51.3. Ook het onderworpen zijn aan dergelijke deplorabele detentie-omstandigheden maakt de alreeds onaanvaard­bare detentie voor de geestelijk beschadigde overle­venden des onverdraag­lijker.

 

52. Het totaal achtewege laten van enige structurele me­disch-fysieke zorg ten aanzien van de slachtoffers van de ramp door de ministers Donner en Verdonk

 

52.1. Behalve enige vorm van structurele psychische zorg en opvang, alsook een veelvuldig falen van zelfs maar eniger­lei individuele zorg op dit punt, is een en ander ook ten aanzien van de medisch-fysieke zorg voor de overle­ven­den door de ministers Donner en Verdonk zo georganiseerd dat iede­re stru­ctu­rele compo­nent daarbij ontbreekt.

 

52.3. Een structureel medisch-fysieke screening onder de slachtoffers is door hen volledig achterwege gela­ten.

 

53. Het falen van individuele medisch-fysieke zorg voor de slachtoffers, zoals deze dor de ministers Donner en Verdonk is georganiseerd

 

53.1. Daarnaast faalt ook deze door hen georganiseerde medi­sch-fysieke zorg jegens de slachtoffer veelvul­dig, zelfs in individuele ge­vallen .

53.2. Berichten, waaruit af te leiden is dat bij de brand in de cellen giftige stof­fen zouden kunnen zijn vrijge­ko­men, die door de overle­ven­den mogelij­kerwijs zijn ingeademd, leidden niet tot enig gericht onder­zoek onder de slachtof­fers en overle­venden.

53.3. Dit ondanks het feit dat de Leeuwarder Courant van 12 november 2005 weet te melden dat de gevangenen nog steeds over hoofdpijn klagen.

 

53.4. Ook bij vonnis van 8 november 2005 van de rech­tbank Den Haag (zp. Amsterdam), onder reg. nr. AWB 05/477­15, wordt, zoals reeds aangegeven, jegens de Tanza­ni­aanse overlevende van de ramp overwogen:

 

"Eiser heeft voorts aangegeven klachten te ondervin­den met zijn ademhaling, mogelijk als gevolg van opgelopen rookschade. Eiser heeft echter slechts eenmaal, kort, een arts gespro­ken."

 

55. Verdere mensonterende aspecten van opvang en bejege­ning van de slachtoffers en de overlevenden

 

55.1. Dan zijn er nog de navolgende aspecten, die getuigen van een mensonterende gebreken bij de opvang en die verder getui­gen van een onmenselijke beje­gening van de sla­chtoffers en overle­venden van de ramp:

 

56. Dagenlange onduidelijkheid over de indentiteit van de slachtoffers en de verblijfplaatsen van de over­levenden

 

56.1. Na de ramp is dagenlang, voor iedereen - fami­lie, vrien­den, bekenden en advocaten , onduide­lijk wie tot de over­le­venden behoren, wie ge­wond zijn geraakt en wie dodelijk slachtoffer zijn geworden, en wie van de overlevenden waar naartoe zijn gedepo­reerd.

 

56.2. Lijsten van overlevenden worden door minister van Justi­tie Donner en minister voor Vreemdeli­ngenzaken Verdonk, dagenlang, niet vrijgegeven, en zelfs aan het Rode Kruis onthouden.

 

56.3. Over de gewonden weigeren minister van Jus­titie Donner en minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk, dagenlang, ook maar iets bekend te maken. Pas op 1 november 2005 werd bekend dat er vijftien gewonden zijn, waarvan één zwaar.

 

57. Dagenlange beletselen in de contacten tussen advo­caten en overlevenden

 

57.1. Het verlenen van rechtshulp aan de overlevenden wordt, dagen­lang, onmogelijk gemaakt doordat advoca­ten niet worden geinformeerd over de plaats waarheen hun cliënten zijn gedeporteerd.

 

57.2. Er komen, nog dagenlang na de brand, meldingen van advo­caten dat hen, da­genlang, expliciet verboden werd om hun cli­nten te bezoe­ken.

 

57.3. Amnesty International vermeldt in dit verband in diens Public Statement van 8 november 2005, EUR 35/001/2005:

 

"Amnesty International is worried by reports that following the fire, lawyers representing survivors of the fire have not been given ade­quate information regarding the whereabouts of their clients and re­port insufficient access to them."

 

58. De ministers Donner en Verdonk brengen hiertegem 'de eigen verantwoordelijkheid' van de overlevenden in stelling

 

58.1. Minister van Justitie Donner en minister voor

Vree­md­eli­ngenzaken Verdonk beschuldigen ver­volgens

de overle­venden dat het hun eigen sch­uld is dat, nog

dagen na de brand, hun familie en hun advo­caten geen kontakt met hen kunnen maken, omdat de overle­venden zouden wei­geren om met hen in verbinding te tre­den.

 

58.2. Hierover wordt door Amnesty International, in diens verklaring over de ramp van 21 november 2005, opge­merkt:

 

"In dit verband heeft Amnesty International dan ook met verontrusting kennis genomen van de overwegingen over de 'eigen verantwoordelijk­heid' van overleven­den van de brand waar het gaat om het contact leggen met advocaten en familieleden kort na de brand. In het kamer­debat op 1 november gaf u aan dat aan een ieder een telefoonkaart was verstrekt, maar dat het verder aan de overlevende was om contact te leggen met de buitenwereld. Naast het feit dat over de communicatie tussen advocaten en fami­lieleden ener­zijds en overlevenden anderzijds verschillende klac­hten zijn geuit, meent Amnes­ty International dat in casu een meer actieve opstelling van de overheid noodzakelijk is."

 

Vervolgens wordt een uiteenzetting gegeven waaruit blijkt dat van mensen die getroffen zijn door een dergelijke traumatische ervaring, naar gevestigde medische inzichten niet verwacht kan worden - en dus ook niet mag worden - dat zij volledig in staat zijn hun 'eigen verantwoorde­lijk­heid' te bewaken.

 

59. Bewezen gevallen van het opwerpen van obstakels bij de communicatie van de overlevenden met de buitenwe­reld na de ramp en van het niet verstrekken van tele­foonkaarten aan de over­levenden om contacten met hun familieleden en advocaat te kunnen maken

 

59.1. In de brief die de ministers Donner en Verdonk op 1 november 2005 naar de Kamer stuurden, staat vermeld dat voor iedereen die overgeplaats werd, gold:

 

"Bij binnenkomst is aan ieder van de personen afkom­stig van Schiphol een telefoonkaart over­handigd opdat zij direct contact konden opnemen met familie­leden of hun advocaat."

 

59.2. Berichten, onafhankelijk van elkaar, be­vestigen echter dat ­overle­ven­den, dagenlang, de moge­lijkheid wordt onthouden om telefonisch kontakt op te nemen met hun familie­leden en hun advoca­ten, o.a. doordat hen tele­foonkaar­ten werden onthouden.

 

59.3. Deze onafhankelijk van elkaar bevestigde gang van zaken wordt weliswaar door het ministerie van Justi­tie ontkend, maar op 29 oktober 2005 meldt de Volks­krant dat de woord­voerder van Justitie, Hans Jan­sens, ook op dit punt al in feite de terugtocht begint voor te bereiden. En wel door te stellen: 'Iedereen wordt in principe in staat gesteld om te bellen' naar familie of vr­ien­den, maar daar aan toevoegde: 'Het betreft een groot aantal mensen en een beperkt aan­tal tele­foo­ns'.

Waarmee in elk geval al erkend wordt dat de contac­ten van de overlevenden met de buitenwereld, tenein­de fami­lie en advocaten in te lichten, niet ver­lie­pen zoals onder deze afschuwelijke omstandighe­den mocht worden ver­wacht.

 

59.4. Directeur Nazarski van Vluchelingenwerk Nederland meldt in de Volkskrant van 4 november 2005, na een bezoek de voorafgaande dag aan een detentieboot in Rotterdam, dat de opgeslotenen daar één keer per week in staat worden gesteld om één telefoonkaart van 5 euro aan te scha­ffen, die ze dan wel zelf moeten betalen.

Dat geldt dan ook voor de overlevenden die naar dit detentie-kamp zijn overgebracht.

 

59.5. Hij weet daar aan toe te voegen dat, als de ingeslo­tenen daar - en dat geldt dus ook voor de overleven­den van de ramp - hun advocaat willen bellen, zij op dat moment van luchten wordt uitgesloten.

 

59.6. Mensen van wie het adressenboekje is kwijtgeraakt, en die dus geen telefoonnummer van hun advocaat bij de hand hebben, worden, dagenlang, op geen enkele ma­nier bijgestaan als zij hun advocaat willen bel­len.

 

59.7. In het vonnis van 8 november 2005 de Rechtbank Den Haag (zp Amster­dam), reg.nr. AWB 05/47715, inzake de Tanzani­aanse overle­vende A., die naar Kamp Zeist was over­ge­bracht, werd op dit punt overwegen:

 

"Zo heeft eiser bij binnenkomst in het DTC Zeist geen gesprek gehad en is eiser niet in het bezit gesteld van een telefoonkaart."

 

En:

 

"Voor zover zaken niet, dan wel niet goed zijn gere­geld, zoals afgifte van een telefoonkaart (...), heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting van 3 november 2005 toegezegd dat zij, naar aanleiding van deze zitting, deze zaken onmid­dellijk onder de aandacht zal brengen van de daarvoor verantwoorde­lijke personen in het DTC Zeist."

 

59.8. Na zo'n afschuwelijke en traumatiserende gebeurtenis is, voor een eventuele verwerking daarvan, een di­rect contact met, en opvang in, een kring van fami­lie en/of vertrouwden een essentiële voorwaarde.

 

59.9. Door daar niet voluit, in organisatorische en on­dersteunende zin, medewerking aan te verlenen, doch, in tegenstelling daarmee, daarvoor jegens de overle­venden obstakels op te werpen en zich hier te ver­schuilen achter 'de eigen verantwoordelijkheid' van de overlevenden, maken de ministers Donner ook op dit expliciete punt zich schuldig aan een wrede en onmen­selijke behandeling van deze overlevenden.

 

60. Het onthouden van bezoek-mogelijkheden van familie en vrienden na de ramp

 

60.1. Overlevenden wordt, nog dagenlang na de brand, stel­selma­tig en systematisch de moge­lijkheid onthouden om hun familie­leden en vrien­den op bezoek te laten komen.

 

60.2. Ook deze fundamentele inbreuk op wat voor de door de afschu­welijke ramp getraumatiseerde en geshoc­keerde

overlevenden noodzakelijk is voor de eerste verwer­king daarvan, namelijk de mogelijkheid tot intensief contact met vertrouwde personen, in casu hun familie en vrienden, kenmerkt zich als een opzettelijke wrede en onmenselijke behandeling van de slachtof­fers door de ministers Don­ner en Verdonk.

 

61. Het, dagenlang, niet verstrekken van schone kleren aan de overlevenden

 

61.1. Overlevenden weten op 2 november 2005 tot de media te laten doordringen dat zij dan nog steeds geen schone kleren hebben gekregen.

 

61.2. Na het bezoek dat de directeur van Vluchtelingenwerk Nederland op 3 november 2005 aan de Rotterdamse detentieboot bracht, wordt door hem, in de Volks­krant van 4 november 2005, eveneens verhaald dat hij daar overlevenden aantrof in dezelfde kleding als van de nacht van de ramp.

 

61.3. En nog op 8 november 2005 schrijft de Volks­krant in dit verband:

 

"Een aantal overlevenden heeft geen schone kleding ontvangen ..."

 

En:

 

"Ruim een week later lopen sommige gevangen die wisten te ontsnappen aan de vuurzee nog steeds in hetzelfde kloffie, vertellen ze."

 

Zodat, volgens getuigenverklaringen van overle­venden zelf, dus zelfs omstreeks die datum overlevenden nog steeds noodgedwongen in de kleding van de rampnacht rondliepen.

61.4. Deze getuigenissen worden, op 10 no­vember 2005, door minister Donner in de Tweede Kamer ont­kend. Iedereen zou, binnen twee dagen na de brand, schone kleren hebben gekregen.

61.5. Daar tegenover staan hier echter onafhankelijk van elkaar verstrekte getui­genissen van overle­venden vanuit ver­schillende detentie­kampen, die dit tegen­spre­ken.

 

De kans dat de betrokken overlevenden, die onderling niet met elkaar in kontakt staan, zich in verschil­lende detentiecentra bevinden, en ook op dit punt sepa­raat van el­kaar tot dezelfde verklaringen komen, op dit punt allemaal onwaarheid zouden verkondigen, en niet de minister, moet als volstrekt onwaar­schijnlijk worden ingescha­t.

 

61.6. Het, dag in dag uit, laten zitten van de overleven­den, na een dergelijke afschuwelijke en traumatise­rende ramp, zonder verschoning en in de kleren die hen, dag in dag uit, weer aan de ramp herinneren, getuigt van een dergelijke extreme verwaarlozing, dat ook op dit expliciete punt slechts kan worden ge­sproken van een wrede en onmenselijke behandeling.

62. Het verdwijnen van geld, persoonlijke eigendommen en bezittingen na de ramp, zonder aanstalte tot compen­satie en genoegdoening van de zijde van de ministers Donner en Verdonk

 

62.1. Op 4 november 2005 meldt de directeur van Vluchte­lingen­werk Nederland Nazarski in de Volkskant, na bovengenoemd bezoek aan de detentieboot in Rotter­dam, dat een aantal overlevenden nog steeds hun eigendommen niet terug hebben.

 

62.2. Nog op 22 november 2005 maakt de Nigeriaanse overle­vende Oye Adepeju in Kamp Zeist kenbaar dat hij nog altijd zijn bagage niet terug heeft, onder anderen zijn trouwbijbel, trouwpak, trouwfoto-reportage en een tas met kleren.

62.3. In het vonnis van rechtbank Den Haag (zp. Am­sterdam) van 8 november 2005, inzake de Tanza­niaanse overle­vende A, reg.nr. AWB 05/47715, die naar Kamp Zeist werd overgeplaatst, wordt ook met betrekking tot deze overlevende op dit punt overwogen:

 

"Tenslotte verzoekt eiser om teruggave van zijn bagage en geld."

 

62.4. Meerdere overlevenden missen dus, soms weken na de

brand, nog steeds geld of goederen.

 

62.5. Opvallend is dat de ministers Donner en Verdonk dit in rechts­zaken niet durven te weerspreken. Integen­deel, zij probe­ren hier, via hun procesvertegenwoor­digers, de rechter te paaien door onmiddelijk toe­zeggingen te doen om een en ander uit te zoeken.

 

Zoals in de hierboven genoemde rechtszaak, waarin op dit punt door de rechter werd overwogen:

 

"Voor zover zaken niet, dan wel niet goed zijn gere­geld, zoals onduide­lijkheid rondom de door eiser gestelde (...) afgifte van zijn geld, heeft de ge­machtigde van ver­weer­der ter zitting van 3 november 2005 toe­gezegd dat zij, naar aanlei­ding van deze zit­ting, deze zaken onmid­dellijk onder de aandacht zal bren­gen van de daarvoor verantwoordelijke perso­nen in het DTC Zeist."

 

62.6. Hun pogingen om daarmee voor de rechter weg te ko­men, slaagden niet. In ieder geval Kamp Zeist werd door de rechter vooralsnog, mede op deze grond, als detentie-plaats voor de betrokkene gediskwalifi- ce­erd.

 

62.7. Vooralsnog ziet het ernaar uit dat een aantal over­levenden van de ramp, onder verantwoorde­lijkheid van minister Donner en minister Ver­donk, van staatswege

zijn beroofd van geld en andere bezittingen, dan wel dat geld en/of goederen van de overlevenden opzet­telijk zijn verduis­terd, of tenminste als gevolg van onzorgvuldigheid en nalatigheid van staatswege zoek zijn geraakt.

 

62.8. Cruciaal voor het feit om tot het oordeel te komen dat ook hier aspecten van een wrede en onmenselij­ke bejegening in het geding zijn, is de vaststelling dat de ministers Donner en Verdonk hier geen enkele aanstalte maken om tot compensatie over te gaan.

 

Al hetgeen hierboven, in deze aangifte, wordt aangevoerd, kan, sepraat en in onderling verband, niet anders worden aange­merkt dan als een mensonterende beje­gening door de minister van Justitie Donner en de minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk van mensen, in casu van ille­ga­le vreemdelingen.

 

Een onmenselijke bejegening van deze mensen voor wat betreft de periode vóór de afschuwelijke ramp en, des te meer nog, van diezelf­de mensen - thans slachtoffer en overle­vende van de verschrik­ke­lijke brand - tijdens en de ramp.

 

Deze onmense­lijke beje­gening

 

- die zelfs geresulteerd heeft in dood door schuld van de zijde van minister van Justi­tie Donner en minis­ter voor Vreem­delin­genzaken Verdonk voor wat betreft de dodelijke slachtof­fers van deze brand, alsmede in mede­plich­tigheid van deze ministers aan zwaar licha­melijk letsel voor wat betreft de gewonden die hierbij zijn gevallen -

 

dient,

 

hetzij op de verschillende onderde­len van deze aangifte, hetzij op meerdere onderdelen van deze aangifte in geza­men­lijk­heid,

 

dan gekwalifi­ceerd te worden als een ' wrede en onmen­selij­ke behan­deling ' van de uiteindelijke slachtoffers van deze brand door minister van Justitie Donner en de minis­ter van Vreem­delingen­zaken Verdonk, in de zin van het Anti-Folterver­drag (AFV) en het Inter­natio­naal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR­).

 

Ten aanzien van het onderhavige verzoek om vervolging in te stellen wijzen verzoekers er tenslotte op dat in het kort geding dat half november tegen de Staat werd aange­spannen terzake van het onrechtma­tigerwijs verwijde­ren van spandoeken, gericht tegen de onderha­vige gestelde verant­woorde­lijkheid aan dood door schuld van minister voor Vreemd­elinge­nzaken Verdonk, door de voorzie­ningenrechter van de rechtbank te Amsterdam, bij vonnis van 24 november 2005, onder meer werd benadrukt dat het geenszins vaststaat dat de minis­ters hier niet op ontoe­laatba­re manier in gebreke zijn geble­ven:

 

"Zolang dit niet is aangetoond, moet ernstig reke­ning worden gehouden met de mogelijkheid dat de staat tekort is geschoten in de zorg voor deze gede­tineerden, wat een zeer ernstige misstand zou ople­veren ." (benadrukking toegevoegd).

 

Een tweede punt waar degenen die deze aangifte doen tenslotte nog de nadruk op wensen te leggen is, dat inmiddels nog recen­telijk, namelijk bij vonnis van 1 november 2005, door de rechtbank te Den Haag werd bepaald dat de minister van Defen­sie niet aan de op hem rustende zorgplicht had voldaan ten aanzien van een Dutchbatter die in Srebre­nica getraumatiseerd was geraakt als gevolg van een granaatinslag, en deswege aansprake­lijk was jegens deze getraumatiseerde militair, nu de minister de militairen zonder een goede analyse van de risi­co's, met een te beperkt mandaat en met onvoldoen­de middelen naar Srebrenica had gestuurd.

 

Des te meer is in het onderhavige geval van de catastro­fale Schipholbrand sprake van een - in dit geval opzet­telijk en wil­lens en wetens - totaal ingebreke blijven van minister van Justi­tie Donner en minister voor Vreemd­elingenzaken Verdonk ten aanzien van lijf en goed van de betrokken opgeslote­nen!

 

Mitsdien verzoek ik u, als gemachtigde van de navolgende personen:

 

Jacobus Pieter van Melle , wonende te Amsterdam

Alida Cornelia Jansen , wonende te Zwolle

Ellen Harriet Postmus , wonende te Zwolle

Pieter Rietman , wonende te Amstelveen

Wencke Joshephine Hermanus Robben , wonende te Arnhem,

Nevi Igli , wonende te Enschede

Mariette Moors , wonende te Geldrop

Diane Egtberts , wonende te Drachten

Johannes Wilhelmus Henneman , wonende te Heemskerk

Martijn Christiaan Pruijser , wonende te Amsterdam

Arnold Helmantel , wonende te Gorredijk

Bas Thijs , wonende te Eindhoven

Arthur Elzinga , wonende te Haarlem

Luk Brusselaars , wonende te Kuitaart

Maria Hubertina Petronella Gerarda Wiertz , wonende te Zeist

Paulien van Eijndhoven , wonende te Waalre

Christiana Alberdina Kohdeson , wonende te Wilnis

Nelly Koetsier , wonende te Amsterdam

Andy Mardenborough , wonende te Axel

Catherina Cecilia van de Donk , wonende te Eindhoven

Nico Dekker , wonende te Amsterdam

Erik Theodorus Hummels , wonende te Zeist

Mark Klaas Akkerman , wonende te Den Dolder

Wendie Johanna Jacoba Verberne , wonende te Utrecht

Fedde Hettinga , wonende te Amsterdam

Antonie Willem Rietman , wonende te Vlissingen

Niels Veldhoen , wonende te Duiven

Izabel Miaskiewicz , wonende te Warschau (Polen)

Giorgio de Leeuw , wonende Hiversum

Rachid van Holst , wonende te Amsterdam

 

tegen minister van Justitie Donner en tegen minis­ter voor Vreemdelingenzaken Verdonk vervolging in te stel­len we­gens het onder­werpen van de slacht­offers van de brand op Schiphol-Oost aan een zodanige onmenselijke bejegening, zelfs resulte­rend in dood door schuld en medeplichtigheid aan zwaar licha­melijk letsel, dat een en ander gekwalificeerd moet worden als ' een wrede en onmenselij­ke behan­deling ' in de zin van artikel 16 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmense­lijke of onterende behande­ling of be­straffing (Anti-Folterver­drag - AFV) en in de zin van artikel 7 van het Inter­na­ti­onaal Verdrag inzake Burger­rechten en Poli­tieke rechten (IVBPR).

 

Een aantal van de personen die hierbij aangifte doen tegen de minister van Jusitie Donner en minister voor Vreemdelingenza­ken Verdonk zijn vrienden, familieleden, dan wel verwanten van de slachtoffers van de ramp.

 

Anderen treden op als hulpverleners jegens ongedocumenteerde mensen, en schamen zich, bij de ervaringen die zij hierbij opdoen, vandaag de dag om Nederlanders te zijn.

 

Directe slachtoffers van de ramp, die mede deze aangifte zouden hebben willen verrichten, is dit uitdrukkelijk ontra­den, voor zover zij zich nog binnen de machtssfeer bevinden van minister van Justitie Donner en minister voor Vreemdelin­genzaken Verdonk.

 

Als gemachtigde van degenen die hierbij deze aangifte ver­richten, kondig ik voorts aan dat het mogelijk is dat, in de nabije toekomst, aanvullend, personen die behoren tot de ruim 8000 burgers namens wie inmiddels door het bestuur van de Stichting Een Royaal Gebaar om een onderzoek door het OM is gevraagd omtrent dood door schuld en het bezigen van een wrede en onmense­lijke behande­ling van de zijde van minis­ter van justi­tie Donner en minister voor Vreem­delingenza­ken Verdonk, zich ook nog expiciet persoonlijk als steller van aangif­te, via onder­gete­kende als gemachtigde, zullen voegen.

 

En tenslotte zal deze aangifte, op korte termijn, nog worden aange­vuld met nadere persoonlijke getuigenissen van overle­venden, alsmede met feiten omtrent de onderwer­pelijke wrede en onmenselijke behan­deling, die zich met het voortschrijden van de tijd zullen voortdoen, dan wel na dagtekening van deze aangifte zich inmiddels al hebben voorgedaan.

 

Ik verzoek u hierbij om een ontvangstbevestiging van deze aangifte.

N.M.P. Steijnen,

gemachtigde

 

 
  Home