SAMENVATTING VAN DE WREDE EN ONMENSELIJKE BEHANDELING VAN DE SLACHTOFFERS EN OVERLEVENDEN VOOR EN TIJDENS DE RAMP

DONNER EN VERDONK ONDERWIERPEN - EN ONDERWERPEN NOG STEEDS - VREEMDELINGEN EN (GEKLEURDE) BOLLETJESSLIKKERS AAN GEDWONGEN OPSLUITING IN EXTREEM BRANDGE­VAARLIJKE CELLEN

Er bestaat hier in Nederland een, wat genoemd wordt 'brandbe­veiligingsconcept cellen en celgebouwen' dat, volgens de commissie-Hendrikx, stelt:

"Mensen die zijn opgesloten in een inrichting, mogen erop rekenen dat ze daar veilig zijn en dat ze geen slachtof­fer kunnen worden van een brand in het cellengebouw, die buiten hun schuld onstaat"

Dat geldt dus, naar de maatstaven van Donner en Verdonk, kennelijk niet voor als illegaal beschouwde vreemdelingen, en (gekleurde) bolletjesslikkers als door Donner en Verdonk gemarginaliseerde mensen-categorieën.

Zij mogen, van Donner en Verdonk, in dit opzicht nergens op rekenen.

De brandonveiligheid van de cellen van het type Schiphol-Oost stond - en staat - onomstotelijk vast.

Donner permitteerde zich - en permitteert zich tot op de dag van vandaag - een extreme druk om deze levensgevaarlijke cellen, bestemd dus voor door hem gemarginalisserde mensenca­tegorieën, in gebruik te houden.

De commissie-Hendrikx duidt deze weergaloze en hondsbrutale pressie aan met de term "(politieke) urgentie".

En stelt in dit verband:

"Het gehele proces van vergunningverlening werd beheersd door (politieke) urgentie."

Dan wordt allereerst gewezen op het volgen van de versnelde artikel 17-procedure voor de bouw.

Het rapport van Hendrikx vervolgt dan:

"De urgentie komt ook duidelijk naar voren in het beroep op gedoogbeschikkingen dat meermalen is gedaan voor zowel de bouwvergunning als de gebruiksvergunning, het starten van de bouw voordat een bouwvergunning was afgegeven en het partieel in gebruik nemen van complexen voordat er sprake was van een gebruiksvergunning."

Zoals ook in de strafklacht wordt beschreven: Donner had al gedetineerden in de cellen opgesloten voordat er uberhaupt een gebruiksvergunning was, en voordat er enig onderzoek omtrent de brandveilgiheid van het complex was geweest.

Pas na het opleggen van een dwangsom, door u en mij via onze belastingcenten te beta­len, ging Donner er weer toe over om die daar opge­borgen mensen daar weer weg te halen.

Het was, zoals gezegd, maar al te zeer bekend bij Donner en Verdonk dat de cellen extreem brandgevaarlijk waren, en zijn.

Dit was zonneklaar gebleken bij een onderzoek van TNO, uitge­voerd in november 2002, naar de brandveiligheid van op vrijwel dezelfde manier geconstrueerde containercellen in kamp Zeist, welk TNO-rapport ook voor de vergunningenverlening in Schip­hol-Oost voortdurend onderdeel van de stukken vormde.

De commissie-Hendrikx zegt hierover:

"Uit het TNO-rapport van de uitgevoerde brandproeven ontlenen wij dat reeds na 7 minuten de temperatuur in het interieur van de proefopstelling was opgelopen tot tot een waarde tussen de 500 en 700 graden celsius."

En:

"Voor wat betreft de verdere branduitbreiding is boven­dien relevant het gegeven dat in de proefopstelling de Trespa binnenbekleding ter plaatse van de brander reeds na 2 minuten (!) begon te branden en dat er na 7 minuten sprake was van een lichte rookdoorslag aan de bovenzijde van de celdeur. Dat wil zegen dat vanaf dat moment bij een gesloten deur rook in de vluchtweg terecht kon komen en het dus ook mogelijk was dat rookgassen naar binnen konden worden gezogen in andere cellen door de werking van het ventilatiesysteem."

Hendrikx memoreert uit de certificering van Trespa nog het volgende:

"Ten aanzien van de ontwikkeling van verbrandingsgaasen stelt het certificaat waarin Trespa wordt beschreven:

'Bij voldoende verhitting van het materiaal door een uitwendige bron, zullen chemische processen in het mate­riaal ertoe leiden dat vluchtige gassen gevormd worden, die naar de omgeving ontsnappen. Het materiaal smeult. Dit proces, pyrolyse genaamd, verloopt zonder dat er zuurstof nodig is en sneller naarmate de temperatuur hoger is. De vluchtige gassen mengen zich met lucht (dat zuurstof beval) en worden opgewarmd (door de uitwendige bron) tot de zogenaamde ontbrandingstemperatuur. Op dit punt zal dit gas//luchtmengsel ontbranden. Bij dit proces komt warmte vrij (extherm proces) die het materiaal verder verhit. Bij een voldoende hoge temperatuur zal ook het materiaal zelf vlam vatten."

Dus Donner en Verdonk wisten - en weten ! - dat het bij een celbrand in cellen zoals in Schiphol-Oost al binnen twee minuten zo grondig mis is dat dan de muren in brand vliegen, en dat dus al binnen twee minuten rookgassen rookgassen zich naar andere cellen beginnen te verspreiden.

En het rapport-Hendrikx gaat dan als volgt verder:

"In het algemeen vallen slachtoffers bij brand door rook­intoxicatie, waarbij koolmonoxide (CO) en een coctail van toxische verbrandingsproducten levensbedreiging kunnen zijn bij een verblijf in rook van langer dan 30 seconden.

Dat wil zeggen: zodra de kunststof wanden van de cel gaan branden, binnen twee minuten dus, en zodra als gevolg daarvan kool­mo­noxide en andere giftige stoffen gaan vrijkomen, ont­staat dus reeds binnen 30 seconde nadat het branden van de celmuren is begonnen een acuut levensbedreigende situatie door vergiftiging.

Dat wil zeggen dat, als men al niet levend aan het verbranden is binnen twee minuten en 30 seconden na het begin van een celbrand, men dan al direct vergiftigd dreigt te worden.

Verbijsterend is dan vervolgens in Hendrikx te moeten lezen

dat de brand zo intens was dat alleen al de proef bijna volle­dig uit de hand dreigde te lopen:

"In het kader van dit nadere onderzoek wil de commissie­ook met nadruk signaleren (...) dat het TNO-personeel in de loop van de proef geen kans zag met de ter plaatste beschikbare , toch redelijk ruim bemeten bluswatervoor­zieningen de zich snel ontwikkelende en met zware rook gepaard gaande testbrand onder controle te krijgen."

De aanrijtijd voor de brandweer is, volgens Hendrikx, 7 minu­ten. Maar na 2 minuten is het bij een brand in cel al zover gebeurd dat dan de binnenwanden al in brand staan en giftige rook zich over het complex gaat verspreiden.

Dat betekent dat, zelfs bij een effectieve brandmelding door het personeel en een aankomst van de brandweer binnen 7 muni­ten, er onvermijdelijk al zeker 5 minuten sprake zal zijn van een cel die brand als een fakkel, met een al vijf muniten voortwoekerende giftige rookverspreiding, voordat de brandweer uber­haupt ter plaatse kan zijn. Komt de brandweer dan, binnen 7 minuten aan, dan wordt deze onvermijdelijk geconfronteerd met een vuurzee van tussen de 500 en 700 graden.

Met andere woorden: in geval van een celbrand in de cellen van het type omgebouwde zeecontainers zoals in Schiphol-Oost, is er exact twee minuten respijt om de brand te blussen. Daarna ontstaat meteen een acuut dodelijke bedreiging voor de inge­slotene, en begint ook al levensgevaar te bestaan voor de overige cellen. En dat terwijl de brandweer pas na zeven minuten ter plaatse kan zijn.

Slaagt het personeel er dus niet in om, binnen twee minuten , een beginnende celbrand te blussen, dan is de persoon die zich daarin bevindt menselijkerwijs gesproken reddeloos verloren, en ontstaat meteen ook al een zeer bedreigende situatie voor de omringende cellen.

In die omstandigheid komt de brandweer, aankomend na zeven minuten , altijd voor een vuurzee te staan van 500 tot 700 graden.

Donner en Verdonk kon dat geen barst schelen. En kan dat geen barst schelen.

Het kon - en kan - hun geen barst schelen dat mensen, die zij kennelijk als van lager allooi beschouwen, het risico lopen om binnen twee minuten in hun cellen te sterven.

De commissie-Hendrikx heeft onmiddellijk een serieuze waar­schuwing doen uitgaanover deze extreme onveiligheid naar andere gemeentes:

"Wij hebben Burgemeester en Wethouders reeds tijdens de loop van het onderzoek van de commissie in overweging gegeven andere betrokken gemeentebesturen te attenderen op mogelijke tekortkomingen van bouwtechnische c.q. installatietechnische aard."

En wijst erop dat inmiddels ook de Onderzoeksraad voor veilig­heid op 9 december 2005 inmiddels, tussentijds, een serieuze waarschuwing heeft doen uitgaan.

De Onderzoeksraad stelt in dit verband:

"Dit onderzoek [van de raad] is nog niet afgerond. De raad ziet echter in een aantal voorlopige bevindingen aanleiding een tussentijdse waarschuwing af te geven ten aanzien van de brandveiligheid in andere cellencom­plexen."

Donner trekt er zich niets van aan. En blijft Schiphol-Oost opeisen om daar mensen van vlees en bloed op te sluiten.

Hij blijft dus opzettelijk mensen, die kennelijk voor hem niet als mensen in tel zijn, willens en wetens in levensgevaar brengen.

DONNER EN VERDONK LEVEREN DE GEDETINEERDEN OVER AAN EEN TOTALE PERSONELE ONBEKWAAMHEID EN ONDERBEZETTING

Hendrikx vervolgt zijn verwijzing naar de vaststelling in het 'brandbeveiligingsconcept cellen en celgebouwen' dat mensen die in cellen worden opgesloten erop mogen rekenen dat zij geen slachtoffer worden van brand, met de constatering dat hier niet alleen extra garanties op het gebied van technische en bouwkundige voorzieningen noodzakelijk zijn - die Donner en Verdonk dus, voor het slag mensen dat zij in dit verband opgesloten willen houden niet van belang vinden -, maar tevens met de constatering dat er bovendien ook nog

"...bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de wer­king van de inter­ne organisa­tie."

En dat er:

"Naast de algemene verantwoordelijkheid voor fysieke brandpreventieve eisen (bouwkundig en installatietech­nisch) en handhavingsmaatregelen van de overheid om de gevolgen van een brand te beperken, er [ook nog] een zware en primaire verantwoordelijkheid [ligt] bij de gebrui­ker" - Donner en Verdonk dus - "om deze voorzienin­gen in stand te houden en voor de werking van de interne organi­satie om de beperkingen in de zelfredzaamheid te compenseren."

Met andere woorden: bij een brand zitten de gevangen als ratrten in de val. Daarom moet niet alleen het brandgevaar bouwtechnisch en installatietechnisch zoveel mogelijk worden uitgebannen - waar Donner en Verdonk weigeren om zich ook maar iets van aan te trekken -, maar moet ook de interne organisa­tie optimaal op orde zijn om bij brand onmiddelllijk adequaat te kunnen ingrijpen.

Ook dit was bewezen niet het geval.

In hun streven om dit soort opsluitingsvoorzieningen zo goed­koop mogelijk te bouwen en zo goedkoop mogelijk te runnen, houden zij niet alleen vast aan levensbedreigende construc­ties, maar zien er evenmin been in om dit soort opsluitings­voorzieningen te laten draaien met een constante onderbezet­ting en met onvoldoende gekwalifi­ceerd personeel.

Zodat ook de organisatorische kant acuut levensbedreigend is.

Zoals gezegd, dit vormt inmiddels een bewezen feit.

Dat ook weer door de commissie-Hendrikx impliciet wordt aange­toond: bewust waren branddeuren die open moesten kunnen, op slot en stonden nooddeuren, die gesloten moesten zijn, open.

De door het NIBRA gedane aanbeveling voor een rechtstreekse doormelding van brandalarm naar de Regionale Alarmcentrale, was onderbroken door een 'tussenstation', een 'regiecentrum' op Schiphol, en werd zodanig vertraagd dat er eerst ter plaat­se gekeken kon worden, voordat het alarmsignaal werd doorge­stuurd naar de Regionale Alarmcentrale. Dit om vals alarm te kunnen voorkomen.

Allemaal dus om op personeel te kunnen bezuinigen. Ten koste van de veiligheid van de gedetineerden.

Hendrikx brengt de onderbezet­ting en het totale gebrek aan bekwaamheid van het personeeel onomstotelijk in beeld op het punt waar het erop aankomt, namelijk bij de hulp aan de brand­weer, toen die eindelijk, na veel vertraging door het niet direct door­schakelen van het brand­alarm naar de Regionale Alarmcen­trale, bij het brandende complex arriveerde.

De proce­dure was dat de bandweer naar poort 1 behoorde te rijden. Hendrikx stelt dan:

" Deze is op slot en men wordt verwezen naar poort 2. De TS641 en de 686 rijden bij poort 2 de sluis is. Een gelijktijdig arriverende ambulance sluit aan. Het sluis­principe betekent dat slechts een van beide hekken van de sluis tegelijkertijd open kan. Eenmaal binnen vragen ze de ter plaatse detentiemedewerker beide hekken te openen voor de volgende voertuigen. De detentiemedewerker geeft aan daartoe geen mogelijkheden te hebben; er is te weinig personeel aanwezig om dit te organiseren. Overi­gens kan hij de bevelvoerder van de TS641 niet verder helpen waar het gaat om toegang tot het pand (...) ."

En:

"Via de deur aan de kopse kant van vleugel J betreedt men het pand. Omdat deze deur op slot zit , wordt het tralie­werk opengeknipt; de bij de deur aanwezige detentiemede­werker heeft geen sleutel van de deur ."

En:

"Ondertussen is de tankspuitauto van Rijsenhout (TS649) ook gearriveerd (ong. 00.16 uur) bij het complex. Ook zij worden niet opgevangen . Daarom forceren zij een hek bij poort 1 om binnen te komen. De bezetting van de TS649 forceert een deur in het bouwdeel tussen de brandende vleugel K en vleugel D. Zij komen dan in de hal tussen J en K in conctact met de bezetting van de TS641 (...). Bevraging van elke 'toevallig passerende' detentiemede­werker in vleugel J of de hal geeft de ene keer als uitkomst dat iedereen eruit is en de andere keer dat men niet met zekerheid kan zeggen of vleugel K volledig is ontruimd . De aanvalsploeg van de TS649 onderneemt ook een poging om vleugel K binnen te komen. Gedekt door de afglegde lage druk slaagt men erin de eerst tien cellen van vleugel K te controleren (..) voordat men zich vanwe­ge enorme hite en kokend bluswater moet terugtrekken."

En:

"De AFO (airport fire officer) van de luchthavenbrandweer Schiphol die bij de brand tevens een eerste officier van dienst functie vervult voor de gemeentelijke brandweer is dan ook ter plaatse. Ook hij heeft op basis van nadere informatie van het regiecentrum onderweg al aangegeven dat opschalen naar grote brand noodzakelijk is. Via poort 2 komt hij op het terrein van het detentiecentrum. Hij vindt op het terrein geen detentiemedewerker die hem kan informeren of geleiden ."

DE TOTALE MALTRAITERING EN HET IN LEVENSGEVAAR BRENGEN VAN DE OVERLE­VENDEN

Hendrikx bevestigt de afschuwelijke behandeling van de overle­venden. In plaats van hen met spoed in veiligheid te brengen werden zij, nadat hun cellen eindelijk waren geopend, bijeen­gepakt op de luchtruimte van vleugel J. Waar zij in een aantal gevallen aan elkaar werden geboeid en onder schot gehouden om ontsanpping te voorkomen.

Hendrikx schrijft daarover:

"De gedetineerde opgesloten in vleugel J en K blijken al te zijn overgebracht naar de luchtruimte van vleugel J. In die luchtruimte bevinden zich op dat moment (beneden­winds) circa 60-80 personen die schreeuwen om verplaats te worden."

Liepen zij daar, opeengepakt en onder schot gehouden, gevaar ?

Hendriks zegt van wel.

Hij stelt:

"Het is naar het oordeel van de commissie overigens een geluk bij een ongeluk dat de eerste eenheid via poort 2 bij complex J en K is aangekomen. Indien men was aangeko­men via poort 1 is het de vraag of men direct had onder­kend dat een groot aantal personen in de luchtruimte van complex J was verzameld die bij verdere uitbreiding van de brand onmiddelijk gevaar zou lopen."

De gevolgtrekking kan niet anders zijn dan dat beslissing om de overlevenden, na hun uitsluiting uit de cellen, niet onmid­dellijk naar veilig terrein te evacueren, maar ze in de lucht­kooi van vleugel J op te sluiten om ontsnappingen te voorko­men, een mensonwaardige keuze is geweest, waarbij hun levens verder in gevaar werden gebracht.

Hendrikx beschrijft de sfeer die de brandweer op de lucht­plaats van J aantrof verder aldus:

"Er is sprake van een hectische en bedreigende situatie. Een brand die al uitslaande is; een gebouw dat niet direct toegankelijk is; veel opgesloten en schreeuwende en krijsende mensen; politiepersoneel dat rondloopt met wapens."

Schiphol-Oost als een soort Guantanamo Bay, zo beschreef een andere brandweerman wat hij daar aantrof.

En terwijl beneden, in het inferno, onschuldige mensen onder schot werden gehouden, was daarboven, in de lucht, dan het geluid van de helicop­ter te horen die door Donner op pad was gestuurd om een paar 'ontsnapten' met veel machtsvertoon op te sporen.

Een fascistisch spookbeeld, geregisseerd en in scene gezet door Donner en Verdonk, werd realiteit.

 

 
  Home